visitors on myspace
Over de Heilige Schrift | POSITIEF ATHEÏSME <>

Over de Heilige Schrift

Mozes           ©www.bandoli.no/


Robert G. Ingersoll  
Click here for this article in English


1894

     Iemand hoort de waarheid te vertellen over de Bijbel. Predikanten durven dat niet, want zij zouden van hun kansels verdreven worden. Professoren in colleges durven het niet, want zij zouden hun salaris verliezen. Politici durven het niet. Zij zouden stemmen verliezen. Redacteuren durven het niet. Zij zouden abonnees verliezen. Handelaren durven het niet, omdat ze klanten zouden verliezen. Bekende mensen durven het niet, omdat ze bang zijn aanzien te verliezen. Zelfs winkelbedienden durven het niet, want ze zouden ontslagen worden. Dus besloot ik dat ik het zelf maar moest doen.

 Er bestaan vele miljoenen mensen die geloven dat de Bijbel het door God geïnspireerde woord is – miljoenen die denken dat dit boek hun steun en gids is, hun raadgever en trooster; dat dit boek het heden van vrede vervult en de toekomst van hoop – miljoenen die geloven dat het de bron is van alle wetten, rechtvaardigheid en barmhartigheid, en dat de wereld haar vrijheid, rijkdom en beschaving aan zijn wijze en heilzame voorschriften te danken heeft – miljoenen die zich verbeelden dat dit boek de wijsheid en liefde van God openbaart in de hersenen en harten van de mens – miljoenen die dit boek beschouwen als een lichtende fakkel die de duisternis van de dood overwint , die met zijn schijnsel een andere wereld verlicht – een wereld zonder tranen.

 Zij vergeten zijn onwetendheid en wreedheid, zijn haat voor vrijheid, zijn religieuze vervolging; zij herinneren zich de hemel, maar vergeten de kerker van eeuwigdurende pijn. Zij vergeten dat het de hersens gevangen houdt en het hart verderft. Zij vergeten dat het de vijand is van intellectuele vrijheid. Vrijheid is mijn religie. Vrijheid van hand en hersens – van werken en gedachten.

 Vrijheid is een woord dat door koningen gehaat wordt, en door pausen veracht. Het is een woord dat tronen en altaren verbrijzelt – dat bekroonden zonder onderdanen laat, en de bedelende hand van bijgeloof zonder aalmoezen.  Vrijheid is de bloesem en vrucht van gerechtigheid – de geur van genade. Vrijheid is het zaad en de aarde, de lucht en het licht, de dauw en de regen van vooruitgang, van liefde en vreugde.


1 - De oorsprong van de Bijbel 

 Een paar zwervende families – armzalig, ellendig, zonder scholing, kunst of macht; afstammelingen van degenen die voor vierhonderd jaren in slavernij werden gehouden; onwetend als de inwoners van Centraal Afrika, waren zojuist aan hun meesters ontsnapt naar de Sinaï woestijn.

 Hun leider was Mozes, een man die opgevoed was in het gezin van de Farao, en onderwezen werd in de wetten en mythologie van Egypte. Teneinde de leiding over zijn volgelingen te verwerven, wendde hij voor dat hij van Jehova, de god van deze zwervers, voorschriften en assistentie ontving. Alles dat plaatsvond werd toegeschreven aan het ingrijpen van deze God. Mozes beweerde dat hij deze God in persoon had ontmoet; dat hij boven op de berg Sinaï uit de handen van deze God de stenen tabletten ontvangen had waarop, door de vinger van God, de Tien Geboden waren geschreven. En dat Jehova hem bovendien bekend had gemaakt welke offerandes en ceremonieën hem welgevallig waren, en de wetten waaraan deze mensen onderworpen moesten worden. Op deze manier werden de Joodse religie en de Mozaïsche Wet  ingesteld. En nu wordt  beweerd dat deze religie en deze wetten geopenbaard werden en geldig zouden zijn voor de hele mensheid.

 Destijds onderhielden deze zwervers geen handel met andere naties, hadden ze geen geschreven taal, en konden ze lezen noch schrijven. Ze beschikten over geen enkel middel waarmee ze deze openbaring aan andere volken bekend konden maken, dus bleef die voor meer dan tweeduizend jaar begraven in de spreektaal van een paar onwetende, verarmde en onbekende stammen.

 Vele eeuwen na de dood van Mozes, hun leider – vele eeuwen nadat al zijn volgelingen gestorven waren – werd de Pentateuch geschreven die het werk is van vele schrijvers, en om hieraan gezag en autoriteit te verlenen werd beweerd dat Mozes de auteur ervan was. We weten nu dat de Pentateuch niet door Mozes geschreven werd. Er worden steden in genoemd die nog niet bestonden toen Mozes leefde. Er worden geldstukken in genoemd die pas eeuwen na zijn dood werden geslagen.

 Bovendien waren veel van die wetten niet toepasselijk op zwervers in de woestijn – wetten over landbouw, over het offeren van ossen, schapen en duiven, over het weven van textiel, over ornamenten van goud en zilver, over het bewerken van land, over de oogst, over het dorsen van graan, over huizen en tempels, over steden die als toevluchtsoord dienden, en over veel andere onderwerpen die geen enkele betekenis hadden voor de paar zwervers die toen nog over zand en rotsen dwaalden.

 Het is pas nu dat intelligente en eerlijke theologen niet alleen moeten toegegeven dat Mozes niet de auteur kon zijn van de Pentateuch, maar dat allen ook bekennen dat niemand weet wie de auteurs dan wel waren, of wie ook maar enig van deze boeken schreef, of zelfs maar een hoofdstuk of een zin. We weten dat de boeken niet binnen één generatie geschreven werden; dat ze niet alle door dezelfde persoon geschreven werden; dat ze vol vergissingen en tegenspraak staan.

 Ook wordt toegegeven dat Jozua het boek dat zijn naam draagt niet schreef, omdat het naar gebeurtenissen verwijst die pas lang na zijn dood plaatsvonden.  Niemand kent, of beweert de auteur van Richteren te kennen; al dat we weten is dat het geschreven werd eeuwen nadat de laatste rechter had opgehouden te bestaan. Niemand kent de auteur van Ruth, noch die van 1Samuel  of 2Samuel; we weten alleen dat Samuel de boeken die zijn naam dragen niet schreef. In het 2e hoofdstuk van Samuel 1 staat zelfs een verslag over de opvoeding van de kleine Samuel.

 Niemand kent de auteur  van 1Koningen of 2Koningen, of van 1Kronieken of 2Kronieken. We weten alleen dat deze boeken geen enkele waarde hebben. We weten dat de Psalmen niet door David geschreven werden. In de Psalmen wordt gesproken over de Babylonische gevangenschap van de Joden, en die gebeurde pas vijfhonderd jaren nadat David met zijn voorvaderen verenigd werd. We weten dat Salomo de Spreuken niet schreef, of het Hooglied; dat Jesaja niet de auteur was van het boek dat zijn naam draagt; dat niemand de auteur kent van Job, Prediker, Ester of enig ander boek in het Oude Testament, met uitzondering van Ezra.

 We weten dat God niet genoemd wordt, of naar hem verwezen wordt in het boek van Ester. We weten ook dat het boek wreed, absurd en onmogelijk is. En God wordt ook niet genoemd in het Hooglied van Salomo, het beste boek in het Oude Testament. En we weten dat Prediker door een ongelovige werd geschreven.

 We weten ook dat de Joden zelf niet eerder dan twee eeuwen na Christus besloten hebben welke boeken geïnspireerd, dus authentiek, zouden zijn. We weten dat het idee van inspiratie slechts zeer geleidelijk aan ontstond, en dat die inspiratie bepaald werd door diegenen die bepaalde doelen voor ogen hadden.


2 - Is het Oude Testament geopenbaard?

 Als dat zo is, zou het een boek zijn dat geen mens, geen mensen, zouden kunnen schrijven. Het zou de volmaakte filosofie bevatten. Het zou perfect in overeenstemming moeten zijn met ieder feit van de natuur. Er zouden geen vergissingen in voorkomen met betrekking tot astronomie, geologie, of enig ander gebied van wetenschap.

 Zijn moraliteit zou de hoogste, de zuiverste moeten zijn. Zijn wetten en de voorschriften die ons gedrag moeten bepalen zouden rechtvaardig zijn, wijs, volmaakt en perfect aangepast aan de te bereiken doelen. Er zou niets in mogen staan dat bedoeld is om de mens wreed, wraakzuchtig, rancuneus of eerloos te maken. Het zou vervuld moeten zijn van intelligentie, rechtvaardigheid, zuiverheid, eerlijkheid, genade en de geest van vrijheid. Het zou tegen conflicten en oorlogen gekant zijn, tegen slavernij en wellust, tegen onwetendheid, lichtgelovigheid en bijgeloof. Het zou de geest moeten ontwikkelen en het hart beschaven. Het zou waar moeten zijn.

 Voldoet het Oude Testament aan deze norm? Staat er iets in het Oude Testament – betreffende de geschiedenis, de wetenschap, de wet, de samenleving, de moraal – buiten en boven de ideeën, de geloven, de gewoontes en vooroordelen van zijn auteurs en de gemeenschappen waarin zij leefden? Toont het ook maar één straaltje licht van bovennatuurlijke oorsprong?

 De antieke Hebreeën geloofden dat onze aarde het centrum was het universum was, en dat de zon, maan en sterren vlekjes in de lucht waren. De Bijbel is het daarmee eens. Ze dachten dat de aarde vlak was, met vier hoeken; dat de lucht, het firmament massief was – de vloer van Jehova’s huis. De Bijbel leert ons hetzelfde. Ze verbeeldden zich dat de zon om de aarde draaide, en dat door het stoppen van de zon de dag verlengd kon worden. Daar is de Bijbel het mee eens. Ze geloofden dat Adam en Eva de eerste man en vrouw waren; dat ze nog maar enkele jaren geleden geschapen waren, en dat zij, de Hebreeën, hun directe afstammelingen waren. Dit is wat de Bijbel leert.

 Als er iets zeker is, dan is het wel dat de schrijvers van de Bijbel zich vergisten over de schepping, de astronomie, en de geologie; over de oorzaak van verschijnselen, de bron van het kwaad en de oorzaak van de dood. Toch moet worden erkend dat als een oneindig Wezen de auteur is van de Bijbel, hij alle wetenschappen zou moeten kennen, alle feiten, en geen vergissingen zou kunnen maken. Als er dan toch vergissingen, misvattingen, onhoudbare theorieën, achterlijke mythen en blunders in de Bijbel staan, moeten  deze zijn geschreven door eindige wezens; dat wil zeggen, door achterlijke en misleide mensen. Niets kan duidelijker zijn dan dat.

 Eeuwenlang heeft de kerk volgehouden dat de Bijbel absoluut waar was; dat deze geen vergissingen bevatte; dat het scheppingsverhaal waar was; dat zijn astronomie en geologie overeenstemden met de feiten; dat wetenschappers die met het Oude Testament van mening verschilden, ongelovigen en atheïsten waren. Tegenwoordig is dit niet meer zo. Geschoolde christenen geven toe dat de schrijvers van de Bijbel niet geïnspireerd werden door enige wetenschap. Ze zeggen nu dat God, of Jehova, de schrijvers van dit boek niet inspireerde met het doel de wereld te onderwijzen over astronomie, geologie, of enige wetenschap. Tegenwoordig geven ze toe dat de geïnspireerde mensen die het Oude Testament schreven niets wisten over enige wetenschap, en dat zij schreven over de aarde en de sterren, de zon en de maan, in overeenstemming met de algemene onwetendheid van hun tijd. Het nam vele eeuwen voordat theologen tot deze bekentenis werden gedwongen. Onwillig, vol kwaadwilligheid en haat, trokken zij zich van dit terrein terug, de overwinning aan de wetenschap overlatend.

 Ze betrokken een andere stelling: Ze verklaarden dat de auteurs, of liever de schrijvers van de Bijbel, geïnspireerd waren in spirituele en morele zaken; dat Jehova zijn wil en zijn oneindige liefde voor zijn kinderen aan hen duidelijk wilde maken; dat Jehova, ziende dat zijn kinderen slecht, onwetend en verdorven waren, hen barmhartig en rechtvaardig, wijs en spiritueel wenste te maken, en dat de wetten in de Bijbel geïnspireerd zijn, en dat de religie die het verkondigt geïnspireerd is.

 De vraag is nu: Is de Bijbel dan misschien meer juist in zijn opvattingen van gerechtigheid, van barmhartigheid, van de moraal, dan in zijn begrip van de wetenschap? Is het boek moreel verantwoord? Het verdedigt slavernij – het keurt polygamie goed. Zou een duivel het slechter doen? Is het boek barmhartig? In oorlogen hees het de zwarte vlag; het beval de vernietiging, de afslachting van iedereen – van de ouderen, de zieken, de hulpelozen – van moeders en zuigelingen.

 Waren zijn wetten geïnspireerd? Honderden overtredingen werden met de dood bestraft. Om stokken te rapen op zondag, of je vader te vermoorden op maandag, waren even zware misdaden. Er bestaat in de wereldliteratuur geen bloediger serie wetten. De wet van wraak – van vergelding – dat was de wet van Jehova. Een oog voor een oog, een tand voor een tand, een ledemaat voor een ledemaat. Dat is wreedheid – niet filosofie. Is het boek rechtvaardig en redelijk? De Bijbel is gekant tegen religieuze tolerantie – tegen religieuze vrijheid. Wie het niet met de meerderheid eens was, werd gestenigd tot de dood er op volgde. Onderzoek was misdaad. Echtgenoten werd bevolen hun ongelovige vrouwen aan te klagen en mee te helpen hen te doden.

 Het boek is de vijand van Kunst. ‘Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken …….” Dit was de dood voor de Kunst. Palestina heeft nog nooit een schilder of beeldhouwer voortgebracht. Is de Bijbel beschaafd? Het verdedigt liegen, diefstal, roof, moord, het verkopen van bedorven vlees aan vreemdelingen, en zelfs het offeren van menselijke wezens aan Jehova.

 Is het boek filosofisch? Het leert dat de zonden van een mens kunnen worden overgebracht op een dier – op een geit. Het maakt van moederschap een overtreding, waarvoor een boete-offering moest worden gemaakt . Het was zondig om een jongen te baren, en twee keer zo zondig om een meisje ter wereld te brengen. Het maken van een haarolie zoals de priesters die gebruikten was een overtreding die met de dood bestraft kon worden. Het bloed van een vogel die boven stromend water geslacht was, werd als medicijn beschouwd. Zou een beschaafde God zijn altaren bekladden met het bloed van ossen, lammeren en duiven? Zou hij van al zijn priesters slachters maken? Zou hij verrukt raken over de stank van brandend vlees?


3 – De Tien Geboden

 Sommige christelijke juristen – sommige eminente en stupide rechters – hebben gezegd en zeggen nog steeds, dat de Tien Geboden de fundering vormen voor alle wetten. Niets kan meer absurd zijn. Lang voordat deze geboden werden gegeven bestonden er al rechtsregels in India en Egypte - wetten tegen moord, oplichting, diefstal, overspel en fraude. Zulke wetten zijn zo oud als de mensheid zelf; zo oud als de hang naar het leven; zo oud als de menselijke bedrijvigheid; als het idee van voorspoed; zo oud als de menselijke liefde.

 De goede geboden uit de Tien Geboden, waren de oude; al de nieuwe geboden zijn dwaas. Als Jehova beschaafd was geweest, zou hij het gebod over de Sabbat er uit hebben gehouden, en in plaats daarvan zou hij gezegd hebben: ‘Gij zult uw medemens niet tot slaaf maken.’ Hij zou het gebod over vloeken achterwege hebben gelaten, en zeggen: ‘De man zal slechts één vrouw hebben, en de vrouw maar één echtgenoot.’ Hij zou het gebod tegen afbeeldingen weg laten, maar in plaats daarvan zeggen: ‘Gij zult geen oorlogen van uitroeiing voeren, en het zwaard niet uit de schede trekken behalve in zelfverdediging.’ Als Jehova beschaafd zou zijn geweest, hoeveel grootser zouden de Tien Geboden dan zijn.

 Alles wat wij vooruitgang noemen – de vrijheid van de mens, van arbeid, de vervanging van de doodstraf door gevangenschap, van gevangenschap door boete, de afschaffing van polygamie,  het toestaan van het vrije woord, het recht om het eigen geweten te volgen; in het kort alles dat heeft bijgedragen tot de ontwikkeling en beschaving van de mens; al de resultaten van onderzoek, observatie, ervaring en vrije gedachte; alles wat de mens bereikt heeft voor het welzijn van de mens sinds het einde van de Duistere Middeleeuwen – werd bereikt in weerwil van het Oude Testament. Laat me de moraliteit, de barmhartigheid, de filosofie en de goedheid van het Oude Testament nog eens verder aantonen.


Het verhaal van Achan

 Jozua nam de stad Jericho in. Voordat de stad in zijn handen viel, gaf hij opdracht dat alle buit aan de Heer gegeven moest worden. Niettegenstaande deze opdracht verborg Achan een kledingstuk, en wat goud en zilver. Daarna probeerde Jozua de stad Ai in te nemen. Dit mislukte, en veel van zijn soldaten werden gedood. Jozua zocht een oorzaak voor zijn verliezen, en ontdekte dat Achan een kledingstuk, tweehonderd zilveren shekels en een goudstaaf had achtergehouden. Achan bekende.

 Daarop nam Jozua niet alleen Achan, maar ook zijn zonen en zijn dochters, zijn ossen en schapen – en stenigde ze allemaal tot de dood er op volgde, en verbrandde hun lichamen. Niets toont aan dat de zonen en dochters enige misdaad hadden begaan. Het is zeker dat de ossen en schapen niet gestenigd hoefden te worden voor de misdaad van hun eigenaar. Dit was de rechtvaardigheid, de barmhartigheid van Jehova! Nadat Jozua deze misdaad had begaan, overwon hij de stad Ai, met de hulp van Jehova.


Het verhaal van Elisa

 ‘Van Jericho ging Elisa naar Betel. Toen hij naar de stad omhoog liep, rende een troep kinderen op hem af die hem uitlachten en schreeuwden: ‘Kaalkop, kaalkop! Zet ‘m op, zet ‘m op!’ Elisa keek om, en toen hij de kinderen zag, vervloekte hij ze in de naam van de HEER. Meteen kwamen er twee berinnen uit het bos, die tweeënveertig van de kinderen verscheurden.’ (2Kon 2:23-24)  

 Dit was het werk van de goede God – van de genadige Jehova!


Het verhaal van Daniël

 Koning Darius had Daniël onderscheiden en verheven, en de inheemse prinsen waren jaloers. Dus overreedden ze de koning om een decreet te ondertekenen dat bepaalde dat indien iemand een smeekbede tot God of enig mens behalve koning Darius zou richten, voor dertig dagen, in de leeuwenkuil geworpen zou worden. Daarna vond men uit dat Daniël, met het gezicht naar Jeruzalem, drie maal daags Jehova aanbad.

 Daarop werd Daniël in de leeuwenkuil geworpen; een steen werd voor de ingang van de grot geplaatst, en verzegeld met het merk van de koning. De koning had een slechte nacht. De volgende morgen ging hij naar de leeuwenkuil en riep Daniel’s naam. Daniël antwoordde en vertelde de koning dat God een engel gestuurd had om de muilen van de leeuwen te sluiten. Daniël werd gezond en wel uit de leeuwenkuil gehaald, en de koning bekeerde zich en geloofde in Daniel’s God. Darius, die nu een gelovige in de ware God was, liet de mannen arresteren die Daniël beschuldigd hadden, samen met hun vrouwen en kinderen. Ze werden allen in de leeuwenkuil geworpen.

 ‘Ze hadden de bodem van de kuil nog niet geraakt, of de leeuwen stortten zich op hen en vermorzelden al hun botten.’ (Da 6:24-25) Wat hadden de vrouwen en kleine kinderen gedaan? Hoe hadden ze koning Darius, de gelovige in Jehova, beledigd? Wie had Daniël beschermd? Jehova! Wie faalde om de onschuldige echtgenotes en hun kinderen te beschermen? Dezelfde Jehova!


Het verhaal van Jozef

 Farao had een droom, en deze droom werd uitgelegd door Jozef. Volgens zijn uitleg stond Egypte voor zeven jaren van overvloed, gevolgd door zeven jaren van hongersnood. Jozef adviseerde Farao om al de overtollige opbrengsten van de vette jaren op te kopen, en die op te slaan voor de zeven magere jaren. Farao benoemde Jozef als zijn minister of agent, en beval hem al het graan uit de jaren van overvloed op te kopen.

 Toen kwam de hongersnood. De mensen wendden zich tot de koning voor help. Hij vertelde ze naar Jozef te gaan en te doen wat hij zei. Jozef verkocht graan aan de Egyptenaren totdat al hun geld op was – totdat hij het allemaal had. Toen hun geld op was zeiden de mensen: ‘Geef ons graan, dan geven wij u ons vee.’ Jozef gaf hen graan totdat ze al hun vee, hun paarden en kuddes aan hem gegeven hadden.

 Toen zeiden de mensen: ‘Geef ons graan, dan zullen wij u ons land geven.’ Dus gaf Jozef hen graan totdat ze al hun land kwijt waren. Maar de hongersnood duurde voort, en dus verkochten de arme stakkers zichzelf, en ze werden dienaren van de Farao. Toen gaf Jozef ze zaad, en maakte een overeenkomst met ze dat ze voortaan één vijfde van alles wat ze verbouwden aan Farao zouden geven.

 Wie stelde Jozef in staat de droom van Farao te interpreteren? Jehova! Wist hij van tevoren dat Jozef de gegeven informatie zou misbruiken om het volk te beroven en tot slavernij te brengen? Ja. Wie veroorzaakte de hongersnood? Jehova! Het is overduidelijk dat de Joden Jehova niet zagen als de God van Egypte – als de God van de hele wereld. Hij was hun God, van hen alleen. Andere naties hadden goden, maar Jehova was de grootste van hen al. Hij haatte andere naties en andere goden, en verafschuwde alle religies behalve de verering van zichzelf.


4 – Wat is het allemaal waard?

 Zou een christelijke geleerde ons de waarde van Genesis willen uitleggen? We weten dat het verhaal niet waar is – dat het zichzelf tegenspreekt. Er staan twee verslagen van de schepping in het eerste en tweede hoofdstuk. In het eerste verslag werden vogels en dieren geschapen vóór de mens. In het tweede werd de mens geschapen vóór de vogels en de dieren. In het eerste werden vogels uit water gemaakt. In het tweede uit grond. In het eerste werden Adam en Eva tezamen geschapen. In het tweede werd eerst Adam gemaakt; dan de dieren en de vogels, en toen werd Eva uit één van Adams ribben geschapen. Deze verhalen zijn veel ouder dan de Pentateuch.

 In het Perzisch: God schiep de wereld in zes dagen, met een man genaamd Adama, en een vrouw die Evah werd genoemd, en ging toen rusten. Het Etruskische, het Babylonische, het Phoenicische, het Chaldeesche en het Egyptische verhaal zijn vrijwel identiek.

 De Perzen, de Grieken, de Egyptenaren, de Chinezen en de Hindoes hadden hun Hof van Eden en de Levensboom. Op dezelfde manier hadden de Perzen, de Babyloniers, de Nubiërs en de volkeren van zuidelijk India allen hun verhaal over de zondeval van de mensheid en de subtiele slang. De Chinezen zeggen dat de zonde in de wereld kwam door de ongehoorzaamheid van een vrouw. En zelfs de Tahitiërs vertellen ons dat de man geschapen werd uit de aarde, en de eerste vrouw uit één van zijn botten.

 Al deze verhalen zijn even authentiek en van gelijke waarde voor de wereld, en alle auteurs waren gelijkelijk geïnspireerd. We weten ook dat het verhaal van de zondvloed veel ouder is dan het boek Genesis, en we weten bovendien dat het niet waar is. We weten dat het verhaal in Genesis gekopieerd werd uit het Chaldeeuws. Daarin vinden we alles over de regen, de ark, de dieren, de duif die driemaal uitgezonden werd, en de berg waarop de ark kwam te rusten. Ook de Hindoes, Chinezen, Parthen, Perzen, Grieken, Mexicanen en Scandinaviërs hebben substantieel hetzelfde verhaal. We weten ook dat het verhaal over de Toren van Babel een domme en kinderachtige fabel is.

 Wat blijft er dan nog over van dit geïnspireerde boek Genesis? Staat er één woord in dat bedoeld is om hart of geest te ontwikkelen? Is er één verheven gedachte – één groots principe – iets poëtisch – één woord dat in bloesem springt? Staat er iets meer in dan een eentonige en gedetailleerde opsomming van allemaal dingen die nooit gebeurd zijn?

 Staat er iets in Exodus dat bedoeld is om mensen gulhartig, liefhebbend en nobel te maken? Is het goed om kinderen te leren dat God het onschuldige vee van de Egyptenaren martelde – ze beurs en dood sloeg met hagelstenen – vanwege de zonden van Farao? Maakt het ons genadig als we geloven dat God alle eerstgeborenen van de Egyptenaren doodde – de eerstgeborenen van de arme lijdende bevolking – van het arme meisje in de werkplaats – vanwege de verdorvenheid van de koning? Kunnen we geloven dat de goden van Egypte wonderen verrichtten? Hebben zij water in bloed veranderd en stokken in slangen?

 In heel Exodus staat niet één originele gedachte of één zin van waarde. We weten, als we iets weten, dat dit boek door wilden geschreven werd – wilden die geloofden in slavernij, polygamie en oorlogen met als enig doel bevolkingen uit te roeien. We weten dat het verhaal dat verteld wordt onmogelijk is, en dat de wonderen nooit verricht werden. Dit boek geeft toe dat er andere goden zijn buiten Jehova. In het achttiende hoofdstuk staat dit vers: ‘Nu zie ik dat God machtiger is dan alle andere goden.’

 En in dit gezegende boek wordt ons de plicht van mensenoffers geleerd – het offeren van baby’s. In het 22e hoofdstuk staat dit bevel: ‘Sta de eerste opbrengst van de druivenoogst zonder uitstel aan mij af, en geef mij ook je eerstgeboren zoon.’ Is Exodus een hulp of een beletsel voor het menselijke ras geweest? Haal uit Exodus de wetten weg die onder alle naties gebruikelijk zijn, en is er dan nog iets van waarde overgebleven?

 Staat er iets in Leviticus van enige waarde? Is er één hoofdstuk dat de moeite van het lezen waard is? Welk belang stellen wij in de kleding van de priesters, de gordijnen en de kaarsen in de tabernakel, de tangen en scheppen van het altaar, of de haarolie die de Levieten gebruikten? Van welk belang zijn de wrede wetten, de verschrikkelijke bestraffingen, de vervloekingen, de leugens en de wonderen van dit achterlijke en schandelijke boek?

 En wat staat er in Numeri – met zijn offerandes en vloekbrengend water, zijn graanoffer van jaloezie, zijn brood en lepels, zijn jonge bokjes en fijn meel, zijn olie en kandelaars, zijn komkommers en uien – dat de mensheid vooruit helpt? Wat interesseert ons de rebellie van Korah, het water van afscheiding, de asresten van een rode vaars, de brutale slang, het water dat het volk voor veertig jaren omhoog en omlaag volgde, en de geïnspireerde ezelin van de profeet Bileam? Hebben deze absurditeiten en wreedheden – deze kinderachtige, brute bijgeloven – geholpen de wereld te beschaven?

 Staat er iets in Jozua – met zijn oorlogen, zijn moorden en bloedbaden, zijn zwaarden druipend met het bloed van moeders en zuigelingen, zijn martelingen en verminkingen, zijn bedrog en woede, zijn haat en wraakzucht – dat bedoeld is om de wereld te verbeteren? Is het niet zo dat ieder hoofdstuk het hart van een goed mens met afschuw vervult? Zou het boek door kinderen gelezen moeten worden? Het boek van Jozua is net zo genadeloos als een hongersnood, net zo woest als het hart van een wild beest. Het is de geschiedenis – de rechtvaardiging – de heiliging van zowat iedere misdaad. Lees dit boek van Jozua – lees over de slachting van vrouwen, van echtgenotes, van moeders en baby’s – lees zijn onmogelijke wonderen, zijn meedogenloze misdaden, en al het andere dat gedaan werd op bevel van Jehova, en vertel me dan dat dit boek bedoeld is om ons vergevingsgezind, ruimhartig en liefdevol te maken.

 Het boek Richteren is van hetzelfde laken een pak, niets dan oorlog en bloedvergieten; de verschrikkelijke geschiedenis van Jaël en Sisera; van Gideon en zijn ramshorens en kruiken; van Jephtha en zijn dochter, die hij vermoordde om Jehova een plezier te doen. Hierin vinden we het verhaal van Samson, waarin een zonnegod veranderd wordt in een Hebreeuwse reus. Ik geef toe dat het geschiedenis van Ruth in sommige opzichten een mooi en roerend verhaal is; dat het op natuurlijke wijze verteld wordt, en dat haar liefde voor Naomi diep en zuiver was. Maar in zaken van de liefde, zullen we nauwelijks onze dochters adviseren het voorbeeld van Ruth te volgen. Ook moeten we niet vergeten dat Ruth een weduwe was.

 Staat er iets dat de moeite waard is om gelezen te worden in het eerste en tweede boek van Samuel? Hoort een profeet van God een gevangen koning levend in stukken te hakken? Is het verhaal van de ark, zijn roof en zijn terugkeer van enig belang voor ons? Is het mogelijk dat het goed, rechtvaardig en genadevol was om vijftigduizend mannen te doden, alleen omdat ze in een doos gekeken hadden? Welk mogelijk nut hebben de oorlogen van Saulus en David voor ons gehad, de verhalen van Goliath en de heks van Endor? Waarom moest Jehova Uzza doden toen deze zijn hand uitstak om de ark te steunen, en David vergeven voor het vermoorden van Uria, zodat hij zijn vrouw kon stelen?

 Volgens het boek ‘Samuel’ hield David een volkstelling. Dit wekte de woede van Jehova, en als een straf liet hij David kiezen uit zeven jaren hongersnood, een vlucht van drie maanden voor achtervolgende vijanden, of drie dagen pest. David, die vertrouwde op God, koos voor de drie dagen pest; en dientengevolge heeft God, de meelevende, zeventigduizend onschuldige mensen vermoord om de zogenaamde zonde van David te bestraffen! Wat zou een duivel onder dezelfde omstandigheden hebben gedaan?

 Staat er iets in Koningen I en II dat een indruk van inspiratie wekt? Als David stervende is geeft hij aan zijn zoon Salomo opdracht om Joab te vermoorden – om hem niet op zijn oude dag in vrede te laten sterven. Hetzelfde moest ook met Simi gebeuren. Nadat hij deze genadige woorden uitgesproken had, ging de goede David, de man naar Gods hart, in vrede naar zijn voorvaderen.

 Was het nodig om de man te inspireren die de geschiedenis van het bouwen van de tempel vastlegde, die het verhaal van het bezoek van de koningin van Sheba vertelde, of die het aantal vrouwen van Salomo telde? Wat interesseert ons de verschrompeling van Jeroboam's hand, de profetie van Jehu, of het verhaal van Elia en de raven? Moeten we geloven dat Elia vlammen uit de hemel toverde, en dat hij uiteindelijk naar het Paradijs ging in een zegekar van vuur? Moeten we geloven in het vermenigvuldigen van de olie van een weduwe door Elisa, of dat een heel leger getroffen werd door blindheid, of dat een bijl in het water bleef drijven? Bevordert het onze beschaving dat we lezen over de onthoofding van de zeventig zonen van Ahab, het uitsteken van de ogen van Zedekia en het vermoorden van zijn zonen? Staat er ook maar één woord in Koningen I en II dat bedoeld is om de mensheid beter te maken?

 De eerste en tweede Kronieken zijn slechts hervertellingen van Koningen I en II. Dezelfde oude verhalen – een beetje weggelaten, een beetje toegevoegd, maar in geen enkel opzicht beter of slechter.

 Het boek van Ezra is van geen belang. Hij vertelt ons dat Cyrus, de koning van Perzië, een proclamatie deed uitvaardigen voor het bouwen van een tempel in Jeruzalem, en dat hij verklaarde dat Jehova de enige en echte God was. Niets kon meer absurd zijn. Ezra vertelt ons over de terugkeer uit gevangenschap, het bouwen van de Tempel, de inwijding, een paar gebeden, en dat is alles. Dit boek betekent niets, is van geen enkel belang.

 Nehemia is ongeveer hetzelfde, alleen vertelt het over het bouwen van de muur, de klachten van het volk over de belastingen, een lijst van degenen die uit Babylon terugkeerden, een catalogus van wie er in Jeruzalem woonden, en de zegening van de muren. Er staat geen woord in dat de moeite waard is om te lezen.

 Dan komt het boek van Ester. Hierin wordt ons vertelt dat koning Ahasveros dronken werd; dat hij zijn koningin, Wasti, wilde laten komen om haar lichaam aan hemzelf en zijn gasten te tonen. Wasti weigerde te komen. Dit maakte de koning woest, en hij beval dat de mooiste meisjes uit iedere provincie naar hem gebracht moesten worden, zodat hij daar iemand uit kon kiezen om Wasti te vervangen. Eén van hen was Ester, een Jodin. Zij werd gekozen, en werd vrouw van de koning. Toen wenste een voorname heer met de naam Haman dat alle Joden vermoord moesten worden, en de koning, die niet wist dat Ester tot dat ras behoorde, ondertekende een decreet dat alle Joden gedood moesten worden. Door de inspanningen van Mordechai en Ester werd het decreet herroepen en werden de Joden gered. Haman had een galg laten opstellen waaraan Mordechai opgehangen moest worden, maar de goede Ester zag kans om Haman en zijn tien zonen op te laten hangen aan de galg die Haman had opgericht. De Joden werd toegestaan om meer dan vijfenzeventigduizend onderdanen van de koning te vermoorden. Dat is het geïnspireerde verhaal van Ester.

 In het boek van Job vinden we een paar verheven gevoelens, een paar sublieme en dwaze gedachten, iets over het wonder en het sublieme van de natuur, de vreugden en zorgen van het leven; maar het verhaal is schandelijk.

 Sommige van de Psalmen zijn goed, veel er van zijn nogal slecht, een paar ervan zijn schandelijk. Deugden en ondeugden zijn er in vermengd. Er staan verzen in die verheffen, en verzen die verlagen. Er zijn gebeden voor vergeving, en voor wraak. En in de hele wereldliteratuur bestaat niets dat meer harteloos, meer schandelijk is dan Psalm 109.

 In de Spreuken staat veel schranderheid, veel krachtige en zorgvuldige stelregels, veel wijze woorden. Dezelfde denkbeelden worden op verschillende wijzen uitgedrukt – de wijsheid van zuinigheid en zwijgzaamheid, de gevaren van ijdelheid en luiheid. Sommigen zijn triviaal, sommigen zijn dwaas, en velen zijn wijs. Maar deze spreekwoorden zijn niet genereus – niet altruïstisch. Gezegden van dezelfde strekking worden trouwens gevonden onder alle naties.

 Prediker is het meest bedachtzame boek in de Bijbel. Het werd geschreven door een ongelovige – een filosoof – een agnosticus. Haal de interpolaties er uit, en het is in overeenstemming met de gedachten van de negentiende eeuw. In dit boek vinden we de meest filosofische en poëtische passages van de Bijbel.

 Na het doorkruizen van deze woestijn van dood en misdaad – na het lezen van de Pentateuch, Jozua, Richteren, Samuel, Koningen en Kronieken – is het heerlijk de oase te bereiken die het Hooglied van Salomo genoemd wordt. Een drama van liefde – van menselijke liefde; een gedicht zonder Jehova – een door het hart gedragen gedicht, geïnspireerd door de goddelijke instincten van de ziel.

 ‘Als een koord van karmozijn zijn je lippen,
 je mond is betoverend. 
Als het rood van een granaatappel fonkelt je lach, 
door je sluier heen.’

 Jesaja is het werk van veel schrijvers. Zijn gezwollen woorden, zijn vage beeldspraak, zijn voorspellingen en vervloekingen, zijn getier tegen koningen en naties, zijn hoongelach om de wijsheid van mensen, zijn afkeer van vreugde, hebben niet de geringste tendens om het welzijn van de mens te bevorderen. In dit boek wordt het absurde toppunt van wonderen neergelegd. De schaduw van een zonnewijzer wordt tien graden terug gedraaid, om Hezekia er van te overtuigen dat Jehova vijftien jaar aan zijn leven zal toevoegen. In dit mirakel wordt de wereld, die van west naar oost draait met een snelheid van meer dan duizend mijl per uur, niet alleen stil gezet, maar ook nog eens terug gedraaid om de schaduw van de zonnewijzer tien graden terug te zetten! Zou er ergens in de wereld een intelligente man of vrouw bestaan die in deze onmogelijke leugen gelooft?

 Jeremia bevat niets van betekenis – geen waardevolle feiten; niets dan vitterij, geklaag, gesteun, gejammer, vervloekingen en beloften; niets dan hongersnood en gebed, de voorspoed van de verdorvenen, de ondergang van de Joden, de gevangenneming en terugkeer, en tenslotte Jeremia de verrader, in de boeien en de gevangenis. En de Klaagliederen zijn gewoon een voortzetting van het getier van dezelfde krankzinnige pessimist; niets dan stof en zak en as, niets dan tranen en gehuil, niets dan schelden en tekeergaan.

 En dan Ezekiël – manuscripten verorberend, belegeringen en verwoestingen voorspellend, met zijn visioenen van vurige kolen, cherubijnen, wielen met ogen,  de wederopstanding van verdroogde botten – het is nutteloos, van geen enkele waarde. Met Voltaire zeg ik dat iemand die Ezekiël bewondert, verplicht zou moeten worden eens bij hem te gaan eten.

 Daniël is een chaotische droom – een nachtmerrie. Wat moeten we denken van dit boek over een geestverschijning met een gouden hoofd, met borst en armen van zilver, met buik en dijbenen van brons, benen van ijzer, en voeten van ijzer en klei; met zijn geschriften op de muur, zijn leeuwenkuil, en zijn visioen van de ram en geit? 

 Kunnen we ook maar iets leren van Hosea en zijn vrouw? Staat er iets nuttigs in Joël, in Amos, in Obadja? Kunnen we iets goeds verkrijgen uit Jonas en zijn walvis? Is het mogelijk dat God de echte auteur is van Micha en Nahum, van Habakuk en Sefanja, van Haggai en Maleachi en Zacharia, met zijn rode paarden, zijn vier horens, zijn vier smeden, zijn vliegende boekrol, zijn bergen van brons en zijn steen met vier ogen? 

 Staat er ook maar iets in deze ‘geïnspireerde’ boeken dat van enig nut voor de mensheid is geweest? Hebben die ons geleerd hoe de aarde gecultiveerd moest worden, hoe huizen te bouwen, hoe textiel te weven, hoe voedsel te bereiden? Hebben die ons geleerd om schilderijen te maken, om beelden te houwen, om bruggen te bouwen, of schepen, of om iets van schoonheid of waarde te maken? Verkregen we onze denkbeelden over regeren, over vrijheid van religie, over vrijheid van gedachte, uit het Oude Testament? Kregen we uit enig van deze boeken ooit een aanwijzing voor wetenschap? Staat er in de ‘Heilige Schrift’ één woord, één zin die iets toegevoegd heeft aan de rijkdom, de intelligentie en het geluk van de mensheid? 

 Staat er enig boek van het Oude Testament ook maar iets dat net zo onderhoudend is als “Robinson Crusoë”, of als ”Gullivers Reizen”? Wist de auteur van Genesis evenveel over de natuur als Humboldt, als Darwin of Haeckel? Is wat de Mozaïsche Code genoemd wordt net zo wijs en barmhartig als de code van beschaafde naties? Waren de schrijvers van Koningen en Kronieken net zulke grote historici, net zulke begaafde schrijvers als Gibbon en Draper? Is Jeremia of Habakuk net zo groot als Dickens of als Thackeray? Kunnen de auteurs van Job en de Psalmen vergeleken worden met Shakespeare? Waarom moeten we het beste aan de mens toeschrijven, en het slechtste aan God?


5 – Was Jehova een God van Liefde?

 Kwamen deze woorden vanuit een hart vol liefde? 

 ‘Als de HEER uw God ze voor u uit zal jagen, zult gij ze treffen en totaal vernietigen; gij zult geen verdrag met ze sluiten, of ze genade tonen.’

 ‘Ik zal onheil op ze stapelen. Ik zal mijn pijlen op ze richten; ze zullen branden met honger en verteerd worden door brandende hitte en met bittere vernietiging.’

 ‘Ik zal de tanden van wilde dieren op ze af sturen, met het vergif van de slangen in het stof.’

 ‘Het zwaard van buiten, en de verschrikking van binnen, zal zowel de jonge man als de maagd vernietigen; zowel de zuigeling als de man met grijze haren.’

 ‘Laten zijn kinderen vaderloos zijn en zijn vrouw een weduwe; laat zijn kinderen continue vagebonden zijn en bedelen; laat ze hun brood zoeken vanuit hun miserabele plaatsen;   laat de afperser alles krijgen dat hij had, en laat de vreemdeling zijn werk verwoesten; laat er niemand zijn die genade voor hem toont, noch laat iemand zijn vaderloze kinderen een gunst verlenen.’

 ‘En gij zult de vruchten van uw eigen lichaam eten – het vlees van uwe zonen en dochters.’

 ‘En de hemel die boven u is zal van brons zijn, en de aarde onder u zal van ijzer zijn.’

 ‘Vervloekt zult u zijn in de stad, en vervloekt zult u zijn in het veld.’

 ‘Ik zal mijn pijlen dronken van bloed maken.’

 ‘Ik zal lachen om uw tegenspoed.’

 Kwamen deze vervloekingen, deze bedreigingen, vanuit een liefdevol hart of uit de mond van wreedheid? Was Jehova god of duivel? Waarom zouden we Jehova boven alle andere goden plaatsen? Heeft de mens in zijn onwetendheid en vrees zich ooit een nog groter monster ingebeeld? Hebben de barbaren van enig land ooit een nog hartelozer god vereerd?

 Brahma was duizend maal edeler, en dat waren Osiris en Jupiter ook. En ook de oppergod van de Azteken was dat, aan hem werd alleen de geur van bloemen geofferd. En de slechtste god van de Hindoes, met zijn halssnoer van schedels en zijn armbanden van levende slangen, was nog vriendelijk en genadig vergeleken met Jehova. Hoe klein, vergeleken met Marcus Aurelius, blijkt Jehova. Hoe wreed, hoe verachtelijk, vergeleken met Abraham Lincoln, is deze god. 


6 – Jehova’s beleid 

 Hij schiep de wereld, het firmament, een man en een vrouw, en plaatste ze in een lusthof. Toen bedroog de slang hem, en hij joeg ze er weer uit en dwong ze hun brood te verdienen. Jehova was gedwarsboomd. Daarna probeerde hij het opnieuw. Hij ging ongeveer zestienhonderd jaar door om te proberen de mensen te beschaven. Geen scholen, geen kerken, geen Bijbel, geen traktaten – en niemand werd geleerd te lezen of schrijven. Geen Tien Geboden. De mensheid werd slechter en slechter, totdat de genadige Jehova de Zondvloed stuurde en alle mensen verdronk behalve Noach en zijn gezin, slechts acht mensen sparend.

 Daarna begon hij opnieuw, en veranderde hij hun dieet. In het begin waren Adam en Eva vegetariërs. Na de zondvloed zei Jehova: ‘Ieder bewegend ding dat leeft zal vlees voor u zijn’ – dus ook slangen en buizerds. Daarna faalde hij weer, en bij de Toren van Babel verspreidde en verstrooide hij de mensheid.

 Ontdekkende dat hij niet met alle mensen kon slagen, dacht hij het dan maar met een paar van hen te proberen, dus verkoos hij Abraham en zijn nageslacht. Weer faalde hij, en het door hem uitverkoren volk werd door de Egyptenaren gevangen genomen en voor vierhonderd jaar in slavernij gehouden.

 Daarna probeerde hij het nogmaals – hij bevrijdde ze van de Farao en vertrok richting Palestina. Toen wijzigde hij hun dieet weer, waarbij hij ze alleen toestond dieren met gespleten hoeven te eten. Hij faalde weer. Het volk kreeg een hekel aan hem, en gaf de voorkeur aan de slavernij in Egypte boven de vrijheid onder Jehova. Dus liet hij ze zwerven totdat bijna iedereen die uit Egypte gekomen was, gestorven was. Daarna probeerde hij het opnieuw – hij leidde ze Palestina binnen en liet de Richteren over hen regeren.

 Ook dit was een mislukking – geen scholen, geen Bijbel. Toen probeerde hij Koningen, en de koningen waren merendeels afgodendienaren. Daarna werd het uitverkoren volk overwonnen en door de Babyloniers afgevoerd in gevangenschap. Alweer een mislukking.

 Daarna keerden ze terug, en Jehova probeerde het nu met profeten – huilebalken en jammeraars – maar de mensen werden slechter en slechter. Geen scholen, geen wetenschappen, geen kunst, geen handel. Daarna besloot Jehova zelf vlees te worden, werd uit een vrouw geboren, en leefde onder de mensen die hij voor duizenden jaren geprobeerd had beschaving bij te brengen. Toen volgden deze mensen de wet die Jehova ze in de wildernis al gegeven had, en beschuldigden deze Jehova-mens – deze Christus – van godslastering; ze berechtten, veroordeelden en doodden hem.

 Jehova had weer gefaald. Toen liet hij de Joden in de steek en richtte zijn aandacht op de wereld. En nu zijn de Joden, door Jehova verlaten en door christenen vervolgd, het meest welvarende volk op aarde. Jehova heeft weer gefaald. Wat een beleid!


7 – Het Nieuwe Testament

 Wie schreven het Nieuwe Testament? Christelijke geleerden geven toe dat ze het niet weten. Ze geven toe dat, als de vier Evangeliën door Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes geschreven werden, ze in het Hebreeuws geschreven zouden moeten zijn. En toch is er nooit één in het Hebreeuws geschreven manuscript gevonden. Ze waren en zijn in het Grieks. Ook geven geleerde theologen toe dat de Brieven, Jacobus en Judas, geschreven werden door personen die de vier Evangeliën nooit gezien hadden. In deze brieven – in Jacobus en Judas – wordt niet gerefereerd aan de Evangeliën, noch aan enig wonder dat daarin verhaald wordt.

 De vroegste verwijzing naar één van de Evangeliën die gevonden is, werd ongeveer honderdtachtig jaar na de geboorte van Christus gemaakt, en de vier Evangeliën werden voor het eerst genoemd en geciteerd aan het begin van de derde eeuw, ongeveer honderdzeventig jaar na de dood van Christus. We weten nu dat er nog veel meer Evangeliën bestonden naast de vier genoemden, en dat sommigen daarvan verloren zijn geraakt. Er waren Evangeliën van Paulus, van de Egyptenaren, van de Hebreeën, van de Volmaaktheid, van Judas, van Thaddeüs, van de Kindsheid, van Thomas, van Maria, van Andreas, van Nicodemus, van Marcion en nog verscheidene anderen.

 En er waren de Handelingen van Pilatus, van Andreas, van Maria, van Paulus en Thecla en vele anderen; en ook een boek dat de Herder van Hermas genoemd werd. Vroeger werd geen van deze boeken als geïnspireerd beschouwd. Het Oude Testament werd als goddelijk beschouwd; maar de boeken die nu het Nieuwe Testament opmaken werden als menselijke voortbrengsels gezien. Alles dat we nu weten is dat we niet weten wie de vier Evangeliën geschreven hebben. De vraag is: Waren de auteurs van deze vier Evangeliën geïnspireerd? Als zij geïnspireerd waren, moeten de vier Evangeliën waar zijn. Als ze waar zijn, moeten ze met elkaar overeenstemmen. Maar de vier Evangeliën zijn onderling niet in overeenstemming.

 Mattheüs, Markus en Lukas wisten niets van de Grote Verzoendag, niets over de behoudenis door het geloof. Zij kenden alleen het evangelie van goede daden – van liefdadigheid. Zij leren ons dat als wij anderen vergeven, God ons zal vergeven. Het Evangelie van Johannes is het daar niet mee eens. In dit Evangelie wordt ons voorgehouden dat we in de Heer Jezus Christus moeten geloven; dat we opnieuw geboren moeten worden; dat we het bloed van Christus moeten drinken, en zijn vlees eten. In dit Evangelie vinden we het doctrine van de Grote Verzoendag, en dat Christus voor ons is gestorven en voor ons heeft geleden. Dit Evangelie verschilt in grote mate van de overige drie. Als de andere drie waar zijn, is het Evangelie van Johannes onwaar. Als het Evangelie van Johannes door een geïnspireerd mens geschreven werd, waren de schrijvers van de andere drie dus niet geïnspireerd. Hieruit bestaat geen uitweg. Ze kunnen niet alle vier waar zijn.

 Het is overduidelijk dat er veel interpolaties in de vier Evangeliën staan. In het 28e hoofdstuk van Mattheüs bijvoorbeeld, staat een verslag dat aangeeft dat de soldaten bij de tombe van Christus omgekocht waren om te zeggen dat de discipelen van Jezus zijn lichaam ontvreemd hadden terwijl zij, de soldaten, sliepen. Dit is een duidelijke interpolatie. Het verhaal wordt onderbroken. Het tiende vers luidt als volgt: ‘Daarop zei Jezus: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Gallilea moeten gaan, daar zullen ze mij zien.’ Het zestiende vers luidt: ‘De elf leerlingen gingen naar Gallilea, naar de berg waar Jezus hen had onderricht.’

 Het verhaal over de soldaten, vervat in de verzen 11 t/m 15 is een interpolatie – een latere toevoeging. Het 15e vers toont dit aan: ‘Ze namen het geld aan en deden zoals hun was opgedragen. En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde.’  Het is zeker dat dit verhaal niet in het originele Evangelie voorkwam, en het 15e vers was zeer zeker niet door een Jood geschreven. Geen enkele Jood zou schrijven: ‘En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde.’

 Markus, Johannes en Lukas hebben er nooit over gehoord dat de soldaten door de priesters werden omgekocht; of, als ze er wel van gehoord hadden, vonden ze dat niet de moeite waard om weer te geven. Dus de verslagen van de Hemelvaart van Jezus Christus in Markus en Lukas zijn interpolaties. Mattheüs zegt niets over de Hemelvaart. Er moet zeker nooit een groter wonder hebben plaatsgevonden, en toch vond Mattheüs – die daarbij aanwezig was, en de Heer zag opstaan, ten hemel stijgen en verdwijnen – het niet de moeite van het vermelden waard. Aan de andere kant weerspreken de laatste woorden van Christus volgens Mattheüs, de Hemelvaart: ‘Want ik zal altijd bij u zijn, zelfs tot aan het einde van de wereld.’

 Johannes, die aanwezig was als Christus werkelijk ten hemel voer, zegt geen woord over dat onderwerp. Voor wat de Hemelvaart betreft, zijn de Evangeliën het niet met elkaar eens. Markus geeft het laatste gesprek dat Christus met zijn discipelen had als volgt weer: 'En hij zei tegen hen: ‘Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend.   Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld.   Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen.’ Nadat hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer Jezus in de hemel opgenomen en nam hij plaats aan de rechterhand van God.'  Is het mogelijk dat deze beschrijving geschreven werd door iemand die getuige van dit mirakel was? Dit mirakel werd door Lukas als volgt omschreven: ‘Terwijl hij hen zegende, ging hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel.’ Bondigheid is de ziel van humor.

 In de Handelingen wordt ons verteld: ‘Toen hij gesproken had, terwijl zij aanschouwden, werd hij opgenomen, en een wolk onttrok hem aan hun zicht.’ Noch Lukas, noch Mattheüs, noch Johannes, noch de schrijver van Handelingen, hoorden één woord van de conversatie die Markus aan Christus toeschrijft. Het is een feit dat de Hemelvaart van Christus niet door zijn discipelen geclaimd is.

 In het begin was Christus een man – niets meer. Maria was zijn moeder, Jozef zijn vader. De genealogie van Jozef, zijn vader,  werd gegeven om aan te tonen dat hij van David afstamde. Dan wordt beweerd dat Christus de zoon van God is, en dat zijn moeder een maagd was, en dat ze tot aan haar dood een maagd bleef. Daarna werd beweerd dat Christus uit de dood opstond, en lichamelijk ten hemel voer. Het nam vele jaren voordat deze absurditeiten post vatten in de geest van mensen.

 Als Christus werkelijk uit de dood opstond, waarom verscheen hij dan niet aan zijn vijanden? Waarom ging hij niet op bezoek bij Kajafas, de hogepriester? Waarom maakte hij niet nog een triomfantelijke intocht in Jeruzalem? Als hij werkelijk ten hemel voer, waarom deed hij dat dan niet in het openbaar, in aanwezigheid van zijn vervolgers? Waarom moest dit, het grootste wonder, in het geheim worden gedaan, in het geniep? Het was een wonder dat gezien zou moeten worden door een enorme menigte – een wonder dat niet gesimuleerd kon worden – een wonder dat ongetwijfeld honderdduizenden mensen overtuigd zou hebben.

 Na het verhaal van de Wederopstanding werd de Hemelvaart noodzaak. Men moest het lichaam verdonkermanen. En zo zijn er vele interpolaties in de evangeliën en de brieven. Ik vraag weer: Is het Nieuwe Testament waar? Gelooft iemand nu nog dat er bij de geboorte van Christus een hemelse begroeting was; dat een ster de Drie Wijzen  uit het oosten leidde; dat Herodus de kinderen van Bethlehem van twee jaar en jonger afslachtte?

 De evangeliën staan vol verslagen van wonderen. Werden die ooit verricht? Mattheüs geeft bijzonderheden over ongeveer tweeëntwintig wonderen, Markus over ongeveer negentien, Lukas over ongeveer achttien en Johannes over ongeveer zeven. Volgens de evangeliën genas Christus zieken, dreef hij duivels uit, berispte hij de zee, genas hij de blinden, voedde hij een hele menigte met vijf broden en twee vissen, wandelde hij op water, vervloekte hij een vijgenboom, maakte hij van water wijn en liet hij doden opstaan. Mattheüs is de enige die over de ster en de drie wijzen vertelt – en de enige die over de moord op de kinderen vertelt. Johannes is de enige die iets zegt over de wederopstanding van Lazarus, en Lukas is de enige die verslag doet over het uit de dood herrijzen van de zoon van de weduwe van Nain. Hoe is het mogelijk om deze wonderen te bewijzen? De Joden, waarvan gezegd wordt dat ze in hun midden werden verricht, geloofden er niet in. De zieken, de verlamden, de melaatsen, de blinden die werden genezen, werden geen volgelingen van Jezus. Van degenen die uit de dood herrezen, werd later niets meer vernomen.

 Gelooft enig intelligent mens in het bestaan van duivels? De schrijvers van drie van de evangeliën deden dat zeker. Johannes zegt niets over Christus die duivels uitdreef, maar Mattheüs, Markus en Lukas geven veel voorbeelden daarvan. Gelooft enig mens tegenwoordig nog dat Christus duivels uitdreef? Als zijn discipelen zeggen dat hij dat deed, dan hadden ze het mis. Als Christus zei dat hij dat deed, was hij krankzinnig of een bedrieger. Als de verslagen over het uitdrijven van duivels onwaar zijn, waren de schrijvers onwetend of oneerlijk. Als ze uit onwetendheid schreven, dan waren ze niet geïnspireerd. Als ze over iets schreven waarvan ze wisten dat het niet waar was, waren ze ook niet geïnspireerd. Als wat zij schreven onwaar was, of ze het wisten of niet, konden ze niet geïnspireerd zijn.

 In die tijd geloofde men nog dat verlamming, epilepsie, doofheid, krankzinnigheid en vele andere ziekten door duivels werden veroorzaakt; dat duivels bezit namen van de lichamen van mannen en vrouwen, en daarin woonden. Christus geloofde dit ook, onderwees dat geloof ook aan anderen, en wendde voor ziekten te genezen door duivels uit te drijven bij zieken en krankzinnigen. Als er iets is dat we nu weten, is het wel dat ziekten niet veroorzaakt worden door de aanwezigheid van duivels. Als er al iets is dat we weten, dan is het wel dat duivels niet binnen in mensen wonen. Als Christus zei en deed wat de drie Evangeliën zeggen dat hij zei en deed, dan vergiste Christus zich. En als hij zich vergiste, dan was hij zeker geen god. En als hij zich vergiste, was hij zeker niet geïnspireerd.

 Is het een feit dat de duivel probeerde Christus om te kopen? Is het een feit dat de duivel Christus naar het dak van de tempel droeg, en hem probeerde te overreden naar de grond te springen? Hoe kunnen deze wonderen vastgesteld worden? De hoofdpersonen in dit verhaal hebben niets vastgelegd, Christus heeft niets geschreven, en de duivel heeft zich stil gehouden. Hoe kunnen we weten dat de duivel Christus probeerde om te kopen? Wie schreef het verslag? We weten het niet. Waar kreeg de schrijver zijn informatie vandaan? We weten het niet. Iemand heeft ongeveer zeventienhonderd jaar geleden gezegd dat de duivel probeerde God om te kopen; dat de duivel God naar het dak van de tempel droeg, en hem probeerde te overreden naar de aarde te springen, en dat God intellectueel te scherp voor de duivel was. Dat is alle bewijs dat we hebben. Bestaat er iets in de wereldliteratuur dat meer volslagen idioot is? Intelligente mensen geloven niet meer in heksen, tovenaars, boze geesten en duivels. Ze zijn er volkomen van overtuigd dat ieder woord in het Nieuwe Testament over het uitbannen van duivels totaal onwaar is.

 Kunnen we geloven dat Christus de doden tot leven kon wekken? Een weduwe in Nain volgt het lichaam van haar zoon naar zijn graf. Christus stopt de begrafenisprocessie, wekt de jongeman uit de dood en geeft hem aan zijn moeder terug. Daarna verdwijnt de jongeman. Er wordt nooit meer iets over hem gehoord. Niemand neemt de minste notitie van de man die terugkeerde uit het dodenrijk. Lukas is de enige die het verhaal vertelt. Misschien hadden Mattheüs, Markus en Johannes er nooit over gehoord, of geloofden zij het niet en lieten ze daarom na om het weer te geven. Johannes zegt dat Lazarus uit de dood werd opgewekt; Mattheüs, Markus en Lukas zeggen daar niets over. Dit was nog wonderbaarlijker dan het uit de dood opwekken van de zoon van de weduwe. Die was nog maar net onderweg naar zijn graf, maar Lazarus was al lang dood. Hij was begonnen te ontbinden. Toch Lazarus trok totaal geen aandacht. Niemand vroeg hem iets over de andere wereld. Niemand kwam bij hem informeren naar zijn dode vrienden. Toen hij voor de tweede keer stierf zei niemand: ‘Hij is niet bang. Hij is daar al eerder geweest, hij weet precies waar hij heen gaat.’

 In de wonderen die Mohammed zou hebben verricht, geloven we niet, en toch worden ze net zo uitvoerig beschreven. We hebben geen vertrouwen in de wonderen die Joseph Smith verrichtte, en toch is het bewijs veel groter, veel beter. 

 (Noot van de vertaler: Joseph Smith (Sharon, 23 december 1805 - Carthage, 27 juni 1844) is de grondlegger van de Mormoonse leer en stichter van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, zoals de Mormonen officieel heten. Bron: Wikipedia).

 Als er nu een mens rond zou lopen die zou beweren dat hij de doden tot leven kon wekken, of dat hij duivels uit kon drijven, zouden we hem als krankzinnig beschouwen. Wat kunnen we dan over Jezus zeggen? Als we ons verplicht voelen zijn reputatie te redden, zijn we verplicht te zeggen dat hij nooit beweerd heeft doden tot leven te wekken; dat hij nooit beweerd heeft duivels uit te drijven. We moeten dan stellen dat deze domme en onmogelijke dingen verzonnen werden door overijverige discipelen, die probeerden hun leider te vergoddelijken. In die toenmalige dagen van onwetendheid werden deze leugens aan de faam van Christus toegevoegd. Maar nu brengen ze zijn reputatie in gevaar, en kleineren ze de auteurs van de Evangeliën. Kunnen we nu nog geloven dat water veranderd werd in wijn? Johannes vertelt over dit kinderachtige wonder, en zegt dat de andere discipelen aanwezig waren, maar toch zeggen Mattheüs, Markus en Lukas hier niets over.

 Neem het wonder van de man die genezen werd door de vijver van Bethseda. Johannes zegt dat een engel het water van de vijver van Bethseda beroerde, en dat wie het eerste de vijver inging nadat het water beroerd was, genezen werd. Is er nu nog iemand die gelooft dat een engel het water beroerde en dat de arme stakker die er het eerste instapte, genezen werd? Toch geloofde en beweerde de auteur van het Evangelie volgens Johannes deze absurditeiten. Als hij het hierover mis had , kan hij het ook mis gehad hebben over alle andere wonderen waarover hij bericht. Johannes is de enige die over de vijver van Bethseda vertelt. Mogelijk geloofden de andere discipelen zijn verhaal niet.

 Hoe kunnen we deze beweerde wonderen verklaren? In de tijd van de discipelen, en voor vele eeuwen daarna, was de wereld vol van het bovennatuurlijke. Bijna alles wat gebeurde werd als wonderlijk beschouwd. God was de directe bestuurder van deze wereld. Als de mensen zich goed gedroegen, zond God een tijd van zaaien en een tijd van oogsten; maar als ze zich misdroegen stuurde hij overstromingen en hagel, vorst en hongersnood. Als er eens iets moois gebeurde, werd dat uitvergroot totdat het wonder was. De mensen hadden nog geen kennis, en geen idee over de natuurlijke volgorde van gebeurtenissen – over die onverbrekelijke keten van oorzaak en gevolg. Een wonder is het handelsmerk van bedrog. Er werd nog nooit een wonder verricht. Geen intelligent, eerlijk mens heeft ooit beweerd een wonder verricht te hebben, en zal dit ook nooit doen.

  Als Christus de wonderen werkelijk had verricht die aan hem worden toegeschreven; als hij de verlamden en krankzinnigen had genezen; als hij het gehoor had terug gegeven aan de dove, het zicht aan de blinde; als hij de melaatse had gereinigd met een woord, en met zijn aanraking leven en gevoel terug had gegeven aan verschrompelde ledematen; als hij hartslag en beweging, warmte en gedachten had gegeven aan koude en levenloze klei; als hij de dood overwonnen had en zijn bleke prooi van het graf zou hebben gered – dan zou geen woord tegen hem geuit worden, geen hand tegen hem geheven, behalve in lofuitingen en eer. In zijn aanwezigheid zouden alle hoofden ontbloot worden – zou iedereen knielen. Is het dan niet vreemd dat tijdens de berechting van Christus niemand gevonden werd die een woord ten gunste van hem uitte? Niemand die opstond en zei: ‘Ik was melaats, maar deze man heeft me door zijn aanraking genezen.’ Geen vrouw zei: ‘Ik ben de weduwe van Nain, en dit is mijn zoon die door deze man uit de dood gewekt werd.’ Niemand die zei: ‘Ik was blind, maar deze man hergaf mij het zicht.’


8– De filosofie van Christus

  Miljoenen stellen dat de filosofie van Christus perfect is – dat hij de wijste was die ooit gesproken heeft.

 ‘En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren.’ 

 Ligt hierin enige filosofie, enige wijsheid? Hier ontneemt Christus aan goedheid, deugd en waarheid haar recht op zelfverdediging. Ondeugd wordt dan de heerser over de wereld, en de deugdzamen worden het slachtoffer van de eerlozen. Geen mens heeft dan nog het recht om zichzelf te beschermen, of zijn eigendommen, zijn vrouw en zijn kinderen. Regeren wordt dan onmogelijk, en de wereld valt ten prooi aan criminelen. Kan er iets nog absurder zijn?

 ‘En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen.’

 Is dat mogelijk? Heeft enig mens zijn vijanden ooit liefgehad? Had Christus de zijne lief, toen hij ze verwierp als huichelaars, hypocrieten en adders? We kunnen degenen die ons haten niet liefhebben. Haat in de harten van anderen wekt geen liefde op in het onze. Het kwaad niet te weerstaan is absurd, je vijanden lief te hebben is onmogelijk.

 ‘Heb geen zorgen voor de dag van morgen.’

 Het idee was dat God wel voor ons zou zorgen, zoals hij dat voor de mussen en de lelies deed. Is er enige zin in dat geloof? Is er iemand waar God voor zorgt? Kunnen we leven zonder aan morgen te denken? Ploegen, zaaien, cultiveren, oogsten is aan morgen denken. We maken plannen en werken aan een toekomst, voor onze kinderen, voor de nog ongeboren generaties die na ons komen. Zonder deze voorzorg kan er geen vooruitgang zijn, geen beschaving. De wereld zou terugvallen naar de grotten en holen van de wilde.

 ‘Als je rechteroog  je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam in de Gehenna geworpen wordt.’

 Is er enige wijsheid in het uitrukken van uw ogen of het afhakken van uw handen? Is het mogelijk ook maar een molecuul van wijsheid te onttrekken aan deze absurde aansporing?

 ‘En ik zeg jullie dat je helemaal niet moet zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank.’ 

 Hier maken we kennis met de astronomie en geologie van Christus. De hemel is de troon van God, de heerser; de aarde is zijn voetenbank. Een voetenbank die rond draait met een snelheid van een duizend mijl per uur, en door de ruimte zweeft met een snelheid van meer dan duizend mijlen per minuut! Waar dacht Christus dat de hemel was?

 ‘Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af.’

 Is er enige filosofie, enig gezond verstand, in deze aanbeveling? Zou het niet net zo verstandig zijn om te zeggen: ‘Als iemand je voor honderd dollar laat veroordelen, geef hem dan tweehonderd.’

 Alleen een krankzinnige zou het volgende advies kunnen geven of opvolgen:

 ‘Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder;’ 

 Om een man tegen zijn vader op te zetten, een dochter tegen haar moeder – wat een glorieuze missie! Als dit waar is, hoeveel beter zou het niet geweest zijn als hij was weggebleven. Is het mogelijk dat hij die zei: ‘Heb uw vijanden lief’, gekomen is om de vrede in de wereld te vernietigen? Hij heeft het zwaard gebracht, en het zwaard is voor duizend jaren nat gebleven met onschuldig bloed. In miljoenen harten werd het zaad van haat en wraak gezaaid. Hij verdeelde naties en families, doofde het licht van de rede, en verhardde de harten van mensen.

 ‘En iedereen die zijn huis heeft opgegeven, of zijn broers, of zijn zusters, of zijn vader, of zijn moeder, of zijn vrouw, of zijn kinderen, of zijn landerijen, voor mijn zaak, zal het honderdvoudige ontvangen, en zal het eeuwige leven erven.’

 Volgens de schrijver van Mattheüs heeft Christus, de meelevende, de barmhartige, deze verschrikkelijke woorden geuit. Is het mogelijk dat Christus de steekpenning van eeuwigdurende vreugde voorhield aan degenen die hun vaders, hun moeders, hun vrouwen en kinderen in de steek wilden laten? Moeten we het geluk van de hemel verdienen door degenen die we liefhebben in de steek te laten? Moet hier een huis geruïneerd worden om daar een villa te krijgen? En toch wordt gezegd dat Christus een voorbeeld voor de hele wereld is. Liet hij zijn vader en moeder in de steek? Tegen zijn moeder sprekend, zei hij: ‘Vrouw, wat heb ik met jou te maken?’

 De Farizeeërs zeiden tegen Christus: ‘Is het gerechtvaardigd om schatting aan Caesar te betalen? ‘ Christus zei: ‘Toon mij het schattingsgeld.’ Men bracht hem een muntstuk. En hij zei tegen hen: ‘Van wie is de afbeelding en het opschrift?’ Zij zeiden: ‘Van Caesar.’ En Christus zei: ‘Geef de keizer wat des keizers is.’ Dacht Christus dat het geld aan Caesar toebehoorde omdat zijn afbeelding en opschrift er in gestempeld waren? Hoorde het geldstuk toe aan Caesar, of aan de man die het verdiend had? Had Caesar het recht het op te eisen omdat het met zijn afbeelding getooid was? Blijkt uit deze conversatie dat Christus de aard en het gebruik van geld begrepen had?

 Kunnen we nu nog zeggen dat Christus de grootste filosoof was?


9 – Is Christus ons voorbeeld? 

 Hij heeft nooit een woord ten gunste van onderwijs gesproken. Hij heeft nooit zelfs maar gesuggereerd dat er enige wetenschap bestond. Hij heeft nooit enig woord gesproken ten gunste van bedrijvigheid, economie of enige inspanning die onze conditie in deze wereld kan verbeteren. Hij was de vijand van de geslaagde, van de rijke. Dives werd naar de hel gestuurd, niet omdat hij slecht was, maar omdat hij rijk was. Lazarus ging naar de hemel, niet omdat hij goed was, maar omdat hij arm was.

 Christus gaf niets om schilderkunst, beeldhouwen, muziek – niets om enige vorm van kunst. Hij zei niets over de verplichting van de ene natie tegenover de andere, van de koning tegenover zijn onderdanen; niets over mensenrechten; niets over intellectuele vrijheid of het recht van spreken. Hij zei niets over de onschendbaarheid van onze woning;  geen woord om te overdenken;  geen woord ten gunste van het huwelijk, ter ere van moederschap.

 Hij trouwde nooit. Dakloos zwierf hij met een paar volgelingen van plaats tot plaats. Geen van hen scheen zich met enige nuttige zaken bezig te houden, en ze schenen van aalmoezen te leven. Alle menselijke banden werden veracht; deze wereld werd opgeofferd aan de volgende; alle menselijke inspanningen werden ontmoedigd. God zou wel ondersteunen en beschermen. Eindelijk, in de schemer van de dood, riep Christus uit toen hij zijn vergissing besefte: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

 Wij hebben ontdekt dat een mens op zichzelf moet vertrouwen. Hij moet het land cultiveren; hij moet zijn huis bouwen; hij moet ploegen en planten; hij moet uitvinden; hij moet werken met hand en hoofd; hij moet problemen en belemmeringen overwinnen; hij moet de krachten in de natuur temmen zodat ze het werk van de wereld kunnen doen.


10 – Waarom zouden we Christus aan de top van het menselijke ras plaatsen?

 Was hij vriendelijker, meer vergevend, meer zelfopofferend dan Boeddha? Was hij wijzer, ging hij de dood tegemoet met meer volmaakte kalmte, dan Socrates? Was hij geduldiger, liefdadiger,  dan Epictetus? Was hij een groter filosoof, een dieper denker, dan Epicurus? In welk opzicht was hij de meerdere van Zarathustra?  Was hij zachtaardiger dan Lao-tsze, of meer universeel dan Confucius? Waren zijn denkbeelden over mensenrechten en verplichtingen superieur aan die van Zeno? Heeft hij uitdrukking gegeven aan grootsere waarheden dan Cicero? Was zijn geest subtieler dan die van Spinoza? Waren zijn hersens gelijkwaardig aan die van Keppler of Newton? Was hij grootser in zijn sterven – meer subliem dan Bruno? Was hij in intelligentie, in kracht en schoonheid van expressie, in bereik en draagwijdte van gedachte, in rijkdom van verbeelding, in gevatheid van vergelijking, in kennis van het menselijke hart en het menselijk denken,  van alle passies, hopen en vrezen, de gelijke van Shakespeare, was hij de grootste van het menselijk ras?

 Als Christus werkelijk God was, kende hij de gehele toekomst. Voor hem vertoonde zich dan een panorama van de geschiedenis die nog moest komen. Hij wist hoe zijn woorden verklaard zouden worden. Hij wist welke misdaden, welke verschrikkingen, welke schanddaden er in zijn naam verricht zouden gaan worden. Hij wist dat de gretige vlammen van vervolging rond de ledematen van talloze martelaren zouden klimmen. Hij wist dat duizenden en duizenden dappere mannen en vrouwen zouden wegteren in duistere kerkers, vervuld van pijn. Hij wist dat zijn kerk martelinstrumenten zou uitvinden en gebruiken; hij wist dat zijn volgelingen zich zouden beroepen op zweep en roede, op ketting en pijnbank. Hij zag aan de horizon de toekomst schril verlicht door de vlammen van de brandstapel. 

 Hij wist welke geloven als giftige zwammen zouden ontspringen uit iedere tekst. Hij zag de onwetende sekten oorlog met elkaar voeren. Hij zag duizenden mensen, onder gezag van de priesters, gevangenissen bouwen voor hun medemens. Hij zag duizenden schavotten druipend van het beste en moedigste bloed. Hij zag zijn volgelingen de martelinstrumenten gebruiken. Hij hoorde het gekreun – hij zag de gezichten vertrokken van pijn. Hij hoorde het gillen, snikken en schreeuwen van al de weeklagende,  gemartelde menigten. Hij wist dat commentaren op zijn woorden met zwaarden geschreven zouden worden, om gelezen te worden in het licht van brandstapels. Hij wist dat de Inquisitie uit de aan hem toegeschreven leer geboren zou worden.

 Hij zag de invoegingen en leugens die door hypocrisie geschreven en verteld zou worden. Hij zag al de oorlogen die gevoerd zouden worden, en hij wist dat boven deze akkers van dood, boven deze kerkers, deze pijnbanken, deze verbrandingen, deze executies, duizend jaren lang het van bloed druipend banier van het kruis zou wapperen. Hij wist dat hypocrisie met toga en kroon getooid zou worden – dat wreedheid en bijgeloof de wereld zouden regeren; hij wist dat vrijheid zou verdwijnen van de aarde; wist dat pausen en koningen in zijn naam lichaam en ziel van de mens tot slaaf zouden maken; wist dat zij ontdekkers, denkers en uitvinders zouden vervolgen en vernietigen; wist dat zijn kerk het heilige licht van de rede zou uitdoven en de wereld zonder een ster zou achterlaten.

 Hij zag zijn discipelen mensen de ogen uitsteken, ze levend villen, hun tong uitrukken, zoekend naar alle zenuwen van lijden. Hij wist dat zijn volgelingen in zijn naam in mensenvlees zouden handelen, dat wiegen leeg geroofd zouden worden en baby’s van hun moeders borst gerukt. En toch stierf hij stilzwijgend. Waarom liet hij na te spreken? Waarom vertelde hij zijn discipelen niet, en door hen de wereld: ‘Gij zult niet verbranden, opsluiten en martelen in mijn naam. Gij zult uw medemens niet vervolgen.’

 Waarom zei hij niet simpelweg: ‘Ik ben de zoon van God’ of, ‘Ik ben God’? Waarom heeft hij de Drie-eenheid niet verklaard? Waarom vertelde hij niet welke manier van doop hij het liefste had? Waarom schreef hij geen geloofsbelijdenis? Waarom verbrak hij de ketenen van slavernij niet? Waarom vertelde hij niet of het Oude Testament het geïnspireerde woord van God was of niet was? Waarom schreef hij het Nieuwe Testament niet zelf? Waarom liet hij zijn woorden na aan onwetendheid, hypocrisie en toeval? Waarom zei hij nooit iets positiefs, definitief en bevredigend over een andere wereld? Waarom veranderde hij de betraande hoop op een hemel niet in de blijde wetenschap van een ander leven? Waarom vertelde hij ons niet iets over de mensenrechten, over de vrijheid van hand en verstand?

 Waarom ging hij met stomheid naar zijn dood, de wereld overlatend aan ellende en twijfel? Dat zal ik u vertellen. Hij was een mens, en wist het niet.


11 – Openbaring

 Niet eerder dan ongeveer in de derde eeuw werd beweerd, of geloofde men, dat de boeken waaruit het Nieuwe Testament is samengesteld, geopenbaard waren. Men zal zich herinneren dat er een groot aantal boeken, Evangeliën en Handelingen waren, en dat hieruit de ‘geïnspireerde’ geselecteerd werden door de ongeïnspireerden.

 Onder de ‘Kerkvaders’ heersten grote verschillen van mening over welke boeken geopenbaard waren; er was veel discussie en nog meer haat. Veel van de boeken die nu als niet echt worden beschouwd, werden door veel van de kerkvaders als goddelijk gezien. En van sommige boeken die nu als geopenbaard worden beschouwd geloofden zij dat het vervalsingen waren. Veel van de vroege christenen en sommige kerkvaders verwierpen het Evangelie van Johannes, de Brief aan de Hebreeën, Judas, Jacobus, Petrus en de Openbaring van Johannes. Aan de andere kant beschouwden velen van hen het Evangelie van de Hebreeën, van de Egyptenaren, de Prediking van Petrus, de Herder van Hermas, de brief van Barnabas, de Pastoor van Hermas, de Openbaring van Petrus, de Openbaring van Paulus, de Brief van Clementius, en het Evangelie van Nicodemus als geopenbaarde boeken, gelijkwaardig aan de allerbeste.

 Uit al deze boeken, en nog vele andere, kozen de christenen de geïnspireerde. De mensen die de keuze maakten, waren onwetend en bijgelovig. Zij geloofden heilig in wonderen. Ze dachten dat ziekten genezen konden worden door de schorten en de zakdoeken van de apostelen, door de beenderen van doden. Ze geloofden in de fabel van de Feniks, en dat hyena’s ieder jaar van sekse wisselden. Was aan de mensen die door de eeuwen heen de selecties maakten, iets geopenbaard? Waren ze – onwetend, dom en kwaadaardig – net zo goed bevoegd om ‘openbaring’ te beoordelen als huidige studenten? Waarom zouden we ons iets van hun mening aantrekken? Hebben we dan niet het recht om zelf te oordelen? 

 Erasmus, één van de leidende figuren van de Reformatie, verklaarde dat de Brief aan de Hebreeërs niet door Paulus geschreven was, en hij ontkende de openbaring van de Tweede en Derde Johannes, en ook van Openbaringen. Luther was dezelfde mening toegedaan. Hij zei dat Jakobus een brief van stro was, en ontkende de openbaring van Openbaringen. Zwingli verwierp het boek Openbaringen, en zelfs Calvijn ontkende dat Paulus de auteur van Hebreeën was. Het is een feit dat de Protestanten pas in 1647 overeenstemming bereikten over welke boeken geopenbaard waren, tijdens de Assemblee van Westminster.

 Om te bewijzen dat een boek geopenbaard is, moet je het bestaan van God bewijzen. Je moet ook bewijzen dat deze God denkt en handelt,  en plannen, middelen en doelen heeft. Dat is nogal moeilijk. Het is onmogelijk ons een idee te vormen van een oneindig wezen. En als we geen voorstelling hebben van een oneindig wezen, is het onmogelijk te zeggen of de feiten die we kennen er toe neigen het bestaan van zulk een wezen te bevestigen of ontkennen. God is een veronderstelling. Zelfs als het bestaan van God wordt erkend, hoe kunnen we dan bewijzen dat hij de schrijvers van de boeken in de Bijbel inspireerde? Hoe kan een mens de inspiratie in een ander mens vaststellen? Hoe kan een geïnspireerd mens zelf bewijzen dat hij geïnspireerd werd? Er bestaat geen enkele manier om het feit van inspiratie te bewijzen. Het enige bewijs is het woord van een mens die met geen mogelijkheid iets kon weten over dit onderwerp.

 Wat is openbaring? Gebruikte God mensen als zijn instrument? Dwong hij ze om zijn gedachten op te schrijven? Nam hij bezit van hun geest en vernietigde hij hun wil? Werden deze schrijvers dan slechts gedeeltelijk bestuurd, zodat hun onwetendheid, hun vergissingen en hun vooroordelen vermengd werden met de wijsheid van God? Hoe kunnen we dan de vergissingen van mensen onderscheiden van de gedachten van God? Kunnen we dit doen zonder zelf geïnspireerd te zijn? Als de oorspronkelijke schrijvers geïnspireerd waren, dan moeten hun vertalers dat ook geweest zijn, en dus ook de mensen die ons nu vertellen wat de Bijbel betekent. Hoe is het voor een menselijk wezen mogelijk om te weten dat hij geïnspireerd wordt door een oneindig wezen? Maar van één ding kunnen we zeker zijn: Een geopenbaard boek moet alle boeken overtreffen die door ongeïnspireerde mensen geschreven zijn. Het moet boven alles waar zijn, vol wijsheid staan, vol schoonheid bloeiend – het moet perfect zijn.

 Geestelijken vragen zich af hoe ik zo verdorven kan zijn om de Bijbel aan te vallen. Dat zal ik ze vertellen: Dit boek, de Bijbel, heeft de wijste en de beste mensen tot zelfs in de dood vervolgd. Dit boek heeft de vooruitgang van het mensdom vertraagd en tegengehouden. Dit boek heeft de fonteinen van wetenschap vergiftigd en de inspanningen van de mens misleid. Dit boek is de vijand van vrijheid, de ondersteuning van slavernij. Dit boek heeft haat gezaaid in gezinnen en naties, het heeft de vlammen van oorlogen gevoed, en de wereld verarmd. Dit boek is de verschansing waarachter koningen en tirannen zich konden verschuilen – het heeft kinderen en vrouwen in slavernij gebracht. Dit boek heeft regeringen en rechtbanken gecorrumpeerd. Dit boek heeft van colleges en universiteiten leraren van dwaalwegen en haters van wetenschap gemaakt. Dit boek heeft het christendom verdeeld in haatdragende, wrede, onwetende en elkaar bestrijdende sekten. Dit boek heeft mensen geleerd hun medemens te doden uit religieuze motieven. Dit boek heeft de Inquisitie opgericht, de martelinstrumenten uitgevonden, de kerkers gebouwd waarin goede en liefhebbende mensen wegkwijnden, de ketens gesmeed die op hun vlees roestten, en de schavotten opgericht waarop zij stierven. Dit boek heeft brandstapels opgericht voor de rechtvaardigen. Dit boek heeft de rede verdreven uit de geest van miljoenen en inrichtingen bevolkt met krankzinnigen.

 Dit boek heeft vaders en moeders aangezet het bloed van hun kinderen te vergieten. Dit boek was de verhoging  waarop een slavin stond toen ze gescheiden van haar kind werd verkocht. Dit boek stuwde de schepen van de slavenhandelaars voort en maakte mensenvlees tot handelswaar. Dit boek heeft de brandstapels ontstoken waarop ‘heksen’ en ‘tovenaars’ werden verbrand. Dit boek heeft het duister gevuld met spoken en geesten, en de lichamen van mannen en vrouwen met duivels. Dit boek heeft de ziel van de mens vergiftigd met het schandelijke dogma van eeuwige pijn. Dit boek heeft bijgeloof tot de grootste deugd gemaakt, en onderzoek tot de grootste misdaad. Dit boek heeft onder alle naties kluizenaars, monniken en nonnen voortgebracht – de vromen en nuttelozen. Dit boek heeft de onwetende en ongewassen heilige boven de filosoof en de weldoener verheven. Dit boek heeft de mens geleerd levensvreugde te verachten, zodat hij in een volgend leven gelukkig kan worden – om de geneugten van deze wereld te verspillen ten bate van een volgende.

 Ik val dit boek aan omdat het de vijand is van menselijke vrijheid – de grootste blokkade op de weg naar menselijke vooruitgang. Laat me de geestelijkheid één vraag stellen: Hoe kunt u verdorven genoeg zijn om zo’n boek te verdedigen?


12 – De ware Bijbel

 Al duizenden jaren lang heeft de mensheid de ware Bijbel geschreven, en nog dagelijks wordt er aan geschreven, en het boek zal nooit voltooid zijn zolang de mensheid leeft. Alle feiten die we kennen, al de naar waarheid vastgelegde gebeurtenissen, al de ontdekkingen en uitvindingen, al die prachtige machines waarvan de wielen en hefbomen schijnen te denken, al de gedichten, die edelstenen van de geest, bloemen van het hart, alle gezangen van liefde en vreugde, van glimlach en tranen, de grote drama’s in de wereld der verbeelding, de schitterende schilderijen die wonderen van vorm en kleur zijn, van licht en schaduw, de geheimen die verteld worden door rotsen en sterren, door stof en bloemen, door regen en sneeuw, door vorst en vlammen, door stromende beekjes en het zand van de woestijn, door starre bergketens en onstuimige zee.

 Alle wijsheid die het leven verlengt en verrijkt – alles dat ziekten vermijdt en geneest, of pijn overwint – alle rechtvaardige en volmaakte wetten en regels die richting en vorm aan ons leven geven, alle gedachten die het vuur van onze liefde voeden, de muziek die verheerlijkt, verrukt en betovert, de overwinningen van hart en hersens, de wonderen door handen gewrocht, de nijvere handen van mannen die voor vrouw en kind werkten, de geschiedenis van edele daden, van moedige en nuttige mensen, van trouwe liefhebbende echtgenotes, van onstuitbare moederliefde, van conflicten  voor rechtvaardigheid, van lijden voor de waarheid, van al het beste dat al de mannen en vrouwen van de wereld gezegd, gedacht en gedaan hebben door alle jaren.

 Deze schatten van hart en geest – die zijn de Heilige Schrift van het menselijke ras.

_____


Bron: http://www.positiveatheism.org/hist/ingerhb.htm

BAADE022-0571-424E-A133-C5A92933C418
_________________________________________________________________________________________________

Zie ook:

   ➤ Jim Walker: 'De duistere Bijbel

   ➤ Scott Bidstrup: 'De Bijbel en het christendom'


Meer van deze auteur:

   ➤ 'De Bijbel als morele gids?'

   ➤ 'De eed van Ingersoll'

   ➤ 'De goden'


Alle vertalingen van artikelen © 2005-2010 Peter van Montfoort