visitors on myspace
De goden | POSITIEF ATHEÏSME <>

De goden

© www.bandoli.no/

Robert G. Ingersoll   Click here for this article in English


 'Een rechtschapen God is het meest indrukwekkende mensenwerk'

 

 Iedere natie heeft zijn god geschapen, en die god heeft altijd op zijn scheppers geleken. Hij haatte en had lief, wat zij haatten en lief hadden, en stond onveranderlijk aan de kant van de machthebbers. Iedere god was intens patriottisch, en verafschuwde alle naties behalve zijn eigen. Al deze goden eisten lof, vleierij, en verering. De meeste van hen genoten van offers, en de geur van onschuldig bloed werd altijd beschouwd als een goddelijk parfum. Al deze goden hebben er altijd op gestaan er een groot aantal priesters op na te houden, en de priesters hebben er altijd op gestaan om door het volk onderhouden te worden, en de voornaamste bezigheid van al deze priesters was om over hun god op te scheppen, en te beweren dat hij gemakkelijk al de andere goden tezamen kon verslaan.

 Deze goden werden vervaardigd naar talloze modellen, en op de meest groteske wijzen. Sommigen hadden duizend armen, sommigen honderd hoofden, sommigen waren getooid met halsbanden van levende slangen, sommigen waren gewapend met knuppels, sommigen met zwaard en schild, sommigen met gordels, en sommigen hadden vleugels als een engel; sommigen waren onzichtbaar, sommigen vertoonden zichzelf totaal, en sommigen wilden alleen hun rug laten zien; sommigen waren jaloers, sommigen waren dwaas, sommigen veranderden zichzelf in mensen, sommigen in zwanen, sommigen in stieren, sommigen in duiven, en sommigen in Heilige Geesten, en beminden mooie mensendochters. Sommigen waren getrouwd — allen behoorden het te zijn — en sommige werden beschouwd als eeuwige oude vrijgezellen. Sommigen hadden kinderen, en hun kinderen werden tot goden gemaakt, en vereerd als hun vaders vereerd werden. De meeste van deze goden waren haatdragend, wreed, wellustig, en onontwikkeld. Aangezien ze in het algemeen van hun priesters afhankelijk waren voor hun informatie, kan die onwetendheid ons nauwelijks verbazen.

 Deze goden wisten zelfs niets over de vorm van de werelden die zij zelf geschapen hadden, en veronderstelden dat die volkomen vlak waren. Sommigen dachten dat een dag verlengd kon worden door de zon te stoppen, dat het blazen op hoorns de muren van een stad omver kon werpen, en allen wisten zo weinig van de ware aard van de door hen zelf geschapen mensen, dat zij hen opdracht gaven van hen te houden. Sommigen waren zo onnozel dat ze veronderstelden dat de mens gewoon kon geloven wat hij wenste, of wat zij konden bevelen; en dat geleid te worden door observatie, rede, en ervaring de meest smerige en verwerpelijke zonde was. Geen van deze goden kon een waarheidsgetrouw verslag geven over zijn schepping van deze kleine aarde. Allen schoten bedroevend tekort in kennis van geologie en astronomie. Als regel waren ze miserabele wetgevers, en als leiders waren ze sterk inferieur aan het gemiddelde van de Amerikaanse presidenten.

 Deze godheden hebben altijd de meest rampzalige en vernederende gehoorzaamheid afgedwongen. Om het ze naar de zin te maken, moest de mens met zijn gezicht in het stof gaan liggen. Natuurlijk zijn ze altijd partijdig geweest voor de mensen door wie ze geschapen werden, en hebben ze die partijdigheid getoond door deze mensen bij te staan om andere mensen te bestelen en vernietigen, en om hun vrouwen en dochters te verkrachten. Niets was zo aangenaam voor deze goden als het afslachten van ongelovigen. Niets maakt ze zo kwaad, zelfs nu nog, als iemand die hun bestaan ontkent.

 Maar weinig naties waren zo arm dat ze maar een god hadden. Goden werden zo makkelijk gemaakt, en hun grondstof kostte zo weinig, dat in het algemeen de god markt nogal verzadigd raakte, en de hemel overvol van deze fantomen. Deze goden regeerden niet alleen over de hemel, maar werden ook verondersteld zich te bemoeien met alle menselijke affaires. Zij namen het voortouw over iedereen en alles. Zij bemoeiden zich met ieder facet van het leven. Alles werd verondersteld onder hun directe bestuur te vallen. Niets was te klein — niets was te groot; het neervallen van mussen en de bewegingen van de planeten werd met gelijke zorg bestuurd door deze ijverige en nauwlettende godheden. Vanaf hun hemelse tronen kwamen ze vaak naar de aarde met het doel informatie door te geven aan de mensheid. Van een wordt verteld dat hij te midden van donder en bliksem naar beneden kwam om het volk te vertellen dat het een jong geitenbokje niet mocht koken in de melk van zijn moeder. Sommigen verlieten hun schitterende verblijfplaats om vrouwen te vertellen dat ze, of dat ze niet, kinderen moesten krijgen, om een priester voor te lichten hoe hij zijn voorschoot moest knippen en dragen, en om aanwijzingen te geven over de juiste manier om de ingewanden uit een vogel te verwijderen.

 Wanneer een volk naliet een van deze goden te vereren, of naliet om zijn priesters te kleden en te voeden ( hetgeen erg overeenkomt), bezocht hij het vaak met pest en hongersnood. Soms stond hij een andere natie toe om het in slavernij weg te slepen — om haar vrouwen en kinderen te verkopen; maar in het algemeen bevredigde hij zijn wraakzucht door het vermoorden van haar eerstgeborenen. De priesters deden altijd wat van hen verwacht werd, niet alleen door het voorspellen van deze rampen, maar door als ze plaats vonden er ook op te wijzen dat men hierdoor getroffen werd omdat zijzelf niet altijd het volle pond hadden gekregen.

 Deze goden verschilden zoals ook naties verschilden; de grootste en machtigste naties hadden de machtigste goden, terwijl de zwakkere naties gedwongen waren zich tevreden te stellen met de wat mindere overschotten uit de hemelen. Ieder van deze goden beloofde geluk hier en in het hiernamaals aan al zijn slaven, en dreigde al diegenen eeuwigdurend te bestraffen die niet in zijn bestaan geloofden, of die vermoedden dat een andere Godsuperieur zou zijn; maar het bestaan van alle goden te ontkennen was, en is, de misdaad der misdaden. Besmeur uw handen met menselijk bloed; vernietig de goede reputatie van de onschuldige door laster; wurg het glimlachende kind op de schoot van zijn moeder; bedrieg, ruineer en verlaat het mooie meisje dat van u houdt en u vertrouwt, en uw geval is niet hopeloos. Voor dit alles kunt u vergeven worden. Voor dit alles kan de corrupte rechtbank gefundeerd op de bijbel, vrijspraak verlenen; maar ontken het bestaan van deze goddelijke geesten, en het zachte en betraande gelaat van Genade wordt verwrongen door eeuwigdurende haat. De gouden hemelpoorten worden gesloten, en u, met de oneindige vervloeking nagalmend in uw oren, met het brandmerk van schande op uw voorhoofd, begint eindeloze omzwervingen in de lugubere duisternis van de hel — een onsterfelijke vagebond — een eeuwige verworpene — een doodloze veroordeelde.

 Een van deze goden, een die onze liefde vereist, onze bewondering en onze aanbidding, een die vereerd wordt, als een enkel harteloze ceremonie verering betekent, gaf aan zijn uitverkoren volk als richtlijn de volgende oorlogswetten:

 'Voordat u een stad aanvalt, moet u eerst een vredesregeling aanbieden. Als men op het voorstel ingaat en de poorten voor u opent, moeten alle inwoners van de stad tot herendienst worden gedwongen. Als ze echter geen vrede willen sluiten en liever de strijd met u aangaan, en de HEER, uw God, u de belegerde stad in handen geeft, moet u alle mannelijke inwoners ter dood brengen. Maar de vrouwen en kinderen en het vee en alles wat er aan goederen in de stad is mag u buitmaken. U mag van de buit eten wat u wilt, want u krijgt het van de HEER, uw God. Zo moet u te werk gaan bij de steden die op grote afstand van u liggen, buiten het gebied dat u nu gaat veroveren. Maar daarbinnen, in de steden van het land dat de HEER, uw God, u als grondgebied zal geven, mag u geen mens in leven laten.' Deuteronomium 20:10-16 (NBV) 

 (Noot van de redactie - In plaats van het door het auteur aangehaalde citaat uit de zg. King James Version, de bijbel die vooral in Engelstalige landen populair is, hebben wij gemeend de lezer een betere dienst te bewijzen door de overeenkomstige tekst te citeren uit de Nieuwe Bijbel Vertaling, zodat hij zelf dit —  en nog veel meer van dit fraais — kan nalezen.) 

 Is het de mens mogelijk iets te bedenken dat nog meer volslagen schandelijk is? Kunt u geloven dat zulke aanwijzingen gegeven werden door iemand anders dan een volslagen duivel? Bedenk dat het leger dat deze instructies ontving een invasieleger was. Vrede werd aangeboden op voorwaarde dat de mensen die zich overgaven slaven moesten worden van de indringers; maar als zij de moed zouden opbrengen om hun huizen te verdedigen, om voor de liefde van hun vrouw en kinderen te vechten, dan moest het zwaard niemand ontzien — zelfs de gurgelende baby met kuiltjes in de wangen niet.

 En dan wordt van ons gevraagd om zulk een god te aanbidden; om op onze knieën te vallen en hem te vertellen hoe goed hij is, dat hij genadig is, dat hij rechtvaardig is, dat hij liefde is. Ons wordt gevraagd elk nobel gevoel dat onze ziel ons ingeeft, te onderdrukken, en alle schone liefdadigheid in ons hart te vertrappen. En omdat we weigeren onszelf teniet te doen —weigeren om leugenaars te worden — worden we in deze wereld aan de kaak gesteld, gehaat, belasterd en geboycot, en dreigt deze zelfde god ons te martelen in een eeuwig vuur op het moment dat de dood het hem mogelijk maakt zijn woeste klauwen in onze naakte weerloze ziel te slaan. Laat de mensen ons haten, laat de goden dreigen — we zullen ze voorlichten, en we zullen die god verachten en weerstaan.

 Het boek dat Bijbel wordt genoemd, staat verder nog vol met passages die net zo verschrikkelijk, net zo onrechtvaardig en net zo monsterachtig wreed zijn. Dit is het boek dat op scholen gelezen moet worden met het doel onze kinderen liefdevol, vriendelijk en zachtaardig te maken. Dit is het boek dat men in onze Grondwet erkend wil zien als basis voor alle autoriteit en recht!

 Vreemd! dat niemand ooit door de kerk vervolgd werd wegens het geloof dat God slecht is, terwijl honderden miljoenen vernietigd zijn omdat ze dachten dat hij goed was. De orthodoxe kerk zal nooit de universalist vergeven die zegt: 'God is liefde'. Het wordt nog altijd als hoogste waarmerk voor een ware en onbezoedelde religie beschouwd om vol te houden dat alle mannen, vrouwen en kinderen slechts eeuwige verdoemenis verdienen. Het is altijd ketterij geweest te zeggen: 'God zal uiteindelijk iedereen sparen'.

 Ons wordt gevraagd deze vreselijke passages te rechtvaardigen, deze oneervolle oorlogswetten, omdat de Bijbel het woord van God is. Terwijl er in feite nooit enig argument geweest is, of ooit kan wezen, dat zelfs maar neigt in de richting van bewijs voor goddelijke inspiratie voor welk boek dan ook. Bij afwezigheid van elk positief bewijs, elke analogie en ervaring, is discussie eenvoudig onmogelijk, of leidt deze op zijn best tot heilloze verstoring van het klimaat. Het moment waarop we erkennen dat een boek te heilig is om betwijfeld te kunnen worden, of om zelfs maar in rede te worden besproken, zijn we mentale onderhorigen geworden. Het is tot in het oneindige absurd te veronderstellen dat een god een boodschap aan intelligente wezens kan richten, en het dan tot misdaad kan verklaren, op straffe van eeuwig vuur, hun intelligentie te gebruiken om deze boodschap te begrijpen. Als we het recht hebben ons verstand te gebruiken, hebben we zeker het recht daarmee overeenkomstig te handelen, en geen god kan zich het recht toe-eigenen ons te bestraffen voor zulke actie. 

 Het doctrine dat geluk in de toekomst afhangt van ons geloof, is monsterlijk. Het is de meest schandelijke van alle schande. De notie dat vertrouwen in Christus beloond moet worden met een eeuwigheid aan zaligheid, terwijl een afhankelijkheid van rede, observatie en ervaring eeuwigdurend lijden zou verdienen, is te absurd om weerlegd te kunnen worden, en kan alleen verklaard worden door dat ongelukkige mengsel van waanzin en onwetendheid, dat 'geloof' wordt genoemd. Welke mens die ooit nadenkt, kan geloven dat God door bloed tevreden kan worden gesteld? En toch, ons hele systeem van religie is op dat geloof gebaseerd. De Joden bevredigden Jehova met het bloed van dieren, en volgens het christelijke systeem, heeft het bloed van Jezus het hart van God een beetje vertederd, en de redding mogelijk gemaakt van een paar gelukkigen. Het valt moeilijk voor te stellen hoe de menselijke geest kan instemmen met zulke verschrikkelijke noties, of hoe een verstandig mens de bijbel kan lezen en nog steeds kan geloven in het doctrine van goddelijke inspiratie.

 Of de Bijbel nu echt of vals is, is van geen enkel belang vergeleken met de mentale vrijheid van ons ras. Redding door slavernij is waardeloos. Bevrijding van slavernij is van onschatbare waarde. Zolang de mens denkt dat de Bijbel onfeilbaar is, zal dat boek zijn meester zijn. De beschaving van deze tijd is niet ontstaan uit geloof, maar uit ongeloof — en is het resultaat van de vrije gedachte.

 Alles dat nodig is, lijkt mij, om een redelijk persoon ervan te overtuigen dat de bijbel enkel en alleen maar een menselijke uitvinding is — of liever, een barbaarse uitvinding — is die bijbel te lezen. Lees die bijbel zoals u ieder ander boek leest; denk er over na zoals u over alles nadenkt; verwijder de blinddoek van eerbied van uw ogen; verjaag het fantoom van vrees uit uw hart; stoot de overspannen vorm van bijgeloof van de troon in uw geest — en lees dan de Heilige Bijbel, en u zult verbaasd zijn dat u ooit, voor enig moment, in de veronderstelling kon verkeren dat een wezen van oneindige wijsheid, goedheid en zuiverheid, de auteur van zoveel onwetendheid en van zulke wreedheid zou kunnen zijn.

 Onze voorouders hadden niet alleen hun godenfabrieken, maar ze maakten ook duivels. Deze duivels waren meestal in ongenade gevallen goden. Sommigen hadden mislukte revoluties geleid; sommigen waren betrapt terwijl ze op hun gemak achterover leunden in de schaduw van een vouw in een donzige wolk, terwijl ze de vrouw kusten van de oppergod. Deze duivels stelden zichzelf meestal sympathiek op naar de mens. Met betrekking tot hen bestaat een meest wonderbaarlijk feit: In bijna alle theologie, mythologie en religies, zijn de duivels veel humaner en genadiger dan de goden. Geen duivel gaf ooit aan een van zijn generaals de opdracht om kinderen te vermoorden, of de buiken open te snijden van zwangere vrouwen. Zulke barbaarsheden werden altijd door de goden bevolen. De pestilenties werden door de meest genadige goden gestuurd. De verschrikkelijke hongersnood, waarbij het stervende kind met bleke lippen aan de vervallen boezem van zijn dode moeder zuigt, werd gestuurd door de liefdevolle goden. Geen duivel is ooit beschuldigd van zulke duivelse wreedheden.

 Een van deze goden, volgens het verhaal, verdronk eens een hele wereld met uitzondering van acht personen. De ouderen, de jongeren, de schonen en de hulpelozen werden weggevaagd door een oeverloze zee. Deze, de meest beangstigende tragedie die in de verbeelding van gewetenloze priesters ooit werd vormgegeven, was de daad, niet van een duivel, maar van een zogenaamde god, die tot de dag van vandaag nog door onnozele mensen aanbeden wordt. Welk een blaam zou een dergelijke daad op de reputatie van een duivel werpen! En een van de profeten van een van deze goden, toen hij een gevangen genomen koning in zijn macht had, hakte hem in stukken voor het oog van het hele volk. Was ooit enige duivel schuldig aan zulke wreedheid?

 Van een van de goden wordt vermeld dat hij de volgende aanwijzingen gaf betreffende menselijke slavernij:

 'Wanneer je een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij je zes jaar lang dienen; in het zevende jaar mag hij als vrij man vertrekken, zonder iets te hoeven betalen. Als hij alleen is gekomen, moet hij ook alleen weggaan; was hij getrouwd, dan mag zijn vrouw met hem meegaan. Als zijn meester hem een vrouw heeft gegeven en zij heeft hem zonen of dochters gebaard, blijven de vrouw en haar kinderen eigendom van de meester en moet de slaaf alleen weggaan. Mocht hij echter te kennen geven dat hij zo aan zijn meester en aan zijn vrouw en kinderen gehecht is dat hij niet als vrij man wil vertrekken, dan moet zijn meester hem naar het heiligdom brengen, hem tegen de deur of de deurpost zetten, en zijn oor met een priem doorboren. Hij blijft dan voorgoed zijn slaaf.' (Exodus 21:2-6)

 Volgens dit voorschrift, moest een man zijn vrijheid worden aangeboden onder voorwaarde dat hij zijn vrouw en kinderen voor altijd moest verlaten. Bestond er ooit een duivel die aan een echtgenoot, aan een vader, zulk een wrede en harteloze keuze bood? Wie kan een dergelijke god vereren? Wie zal er voor zulk een monster neerknielen? Wie kan tot zulk een maniak bidden?

 Al deze goden dreigden de zielen van hun vijanden voor eeuwig te martelen. Was er ooit een duivel die een dergelijke schandelijke bedreiging uitte? De laagste daad die over een duivel vermeld wordt, is dat wat hij Job en zijn gezin aandeed, en dat werd gedaan met de uitdrukkelijke goedkeuring van een van die goden, en het ging toen over een verschil van mening tussen deze doorluchtige hoogheden over het karakter van 'mijn dienaar Job'.

 Het eerste verslag dat we over de duivel hebben, komt voor in die zuiver wetenschappelijke verhandeling genaamd Genesis, en luidt als volgt: 

 'Van alle in het wild levende dieren die God, de HEER, gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten? We mogen de vruchten van alle bomen eten, antwoordde de vrouw, behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven. Jullie zullen helemaal niet sterven, zei de slang. Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad. De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan.'  (Genesis 3:1-6)

 'Toen dacht God, de HEER: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. En nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.' (Genesis 3:22-24)

 Volgens dit verslag werd de belofte van de duivel in ieder geval letterlijk nagekomen, Adam en Eva stierven niet, en zij werden als goden, wetende van goed en kwaad.

 Het verhaal toont echter ook aan hoe bang de goden waren voor onderwijs en kennis, precies zoals ze dat ook nu nog zijn. De kerk bewaakt nog steeds trouw die gevaarlijke boom van kennis, en heeft over de eeuwen heen haar uiterste macht uitgeoefend om de mens er van te weerhouden van haar vruchten te eten. De priesters zijn nooit opgehouden de oude leugen en de oude bedreiging te herhalen: 'Gij zult daar niet van eten, noch die aanraken, of ge zult sterven.' Vanaf iedere preekstoel kwam die zelfde oproep, veroorzaakt door dezelfde angst: 'Opdat zij die eten als goden worden, wetende van goed en kwaad.' Om die reden haat religie de wetenschap, veracht geloof de rede, is theologie de gezworen vijand van filosofie, en bewaakt de kerk nog steeds met vlammend zwaard die gehate boom, en net zoals haar beweerde grondlegger, vervloekt ze tot de laagste diepten de moedige denkers die daarvan eten en als goden worden.

 Als het verhaal zoals dat in Genesis weergegeven wordt werkelijk waar is, moeten we dan niet uiteindelijk het serpent dankbaar zijn? Het was de eerste leraar, de eerste verdediger van kennis, de eerste vijand van onwetendheid, de eerste die het heilige woord vrijheid in het menselijke oor fluisterde, de schepper van ambitie, de auteur van bescheidenheid, van nieuwsgierigheid, van twijfel, van onderzoek, van vooruitgang en beschaving.

 Geef mij maar de storm en het onweer van gedachten en actie, liever dan de doodse stilte van onwetendheid en geloof! Verban mij uit Eden als je dat wilt: maar laat mij eerst de vruchten eten van de boom der kennis!

 Sommige naties hebben hun goden geleend; van dat aantal, moeten we toegeven, zijn wij er een. De Joden zijn opgehouden als natie te bestaan, en hadden hun god niet meer nodig, en onze voorouders eigenden zich hem toe, en adopteerden tegelijkertijd hun duivel. Deze geleende god is nog steeds onderwerp van enige bewondering, en deze geadopteerde duivel maakt nog steeds onze mensen bang. Hij wordt nog steeds verondersteld zijn valstrikken uit te zetten met het doel onze onvoorzichtige zielen te vangen, en is nog steeds met redelijk succes in oorlog tegen onze God.

 Voor mij lijkt het eenvoudig een verklaring te geven voor deze noties van goden en duivels. Ze zijn een volkomen natuurlijk product. De mens heeft hen allen geschapen, en zou ze onder dezelfde omstandigheden weer opnieuw zo scheppen. De mens heeft deze goden niet alleen geschapen, hij heeft ze ook geschapen uit de grondstoffen waarmee hij zelf omringd was. In het algemeen heeft hij ze naar zichzelf gemodelleerd, en heeft hij ze handen, voeten, hoofden, ogen, oren en spraakorganen gegeven. Iedere natie laat zijn goden en duivels niet alleen dezelfde taal spreken als zijzelf, maar laat ze ook dezelfde vergissingen maken over geschiedenis, geografie, astronomie en andere feitelijke zaken, vergissingen zoals ze vaak ook door mensen werden gemaakt. Geen god was in kennis ooit verder vooruit dan de natie die hem geschapen had. De negers gaven hun godheden weer met zwarte huid en krullend haar. De Mongolen gaven hem een geelachtige huid met donkere, amandelvormige ogen. Het was de Joden niet toegestaan om hun god te schilderen, anders zouden we een Jehova zien met een volle baard, ovaal gezicht en een haviksneus. Zeus was een perfecte Griek, en Jupiter zag er uit als een lid van de Romeinse senaat. De goden van Egypte kregen het geduldige en kalme gezicht van de liefhebbende mensen die hen gemaakt hadden. De goden van de noordelijke landen werden afgebeeld in warme mantels van bont; die van de tropen waren naakt. De goden van India waren meestal op olifanten gezeten; die van sommige eilanders waren goede zwemmers, en de godheden van de Poolstreken waren hartstochtelijk dol op walvistraan. Bijna alle volken hebben gebeeldhouwde of geschilderde weergaven van hun goden, en deze weergaven werden door de lagere klassen vaak behandeld als de goden zelf, en tot deze afbeeldingen richtten zij hun gebeden en offerandes.

 De mens heeft nooit een tekort aan goden gehad. Hij heeft zowat alles aanbeden, met inbegrip van de gemeenste en weerzinwekkendste dieren. Hij heeft vuur vereerd, aarde, lucht, water, licht, sterren, en zich voor honderden eeuwen ter aarde geworpen voor enorme slangen. Wilde stammen maakten goden van artikelen die ze van beschaafde mensen hadden gekregen. De Toda's vereren een koebel. De Kota's vereren twee zilveren schalen die ze als man en vrouw beschouwen, en een andere stam maakte een god van een hartenkoning kaart. Dat mannen altijd fysiek superieur aan vrouwen zijn geweest verklaart het feit dat de meeste hoofdgoden mannelijk waren. Als vrouwen fysiek superieur zouden zijn geweest, zouden de krachten waarvan beweerd wordt dat zij de natuur regelen, vrouwen zijn, en zouden ze in plaats van in het gewaad van mannen te worden afgebeeld, in lange slepen, laag uitgesneden jurken, kant en lang haar worden weergegeven.

 Niets is meer voor de hand liggend dan dat iedere natie zijn kenmerkende eigenaardigheden aan zijn god toekent, en dat ieder individu zijn persoonlijke kenmerken aan zijn god toekent. De mens heeft geen noties, en kan die ook niet hebben, behalve die welke hem door zijn omgeving worden voorgesteld. Hij kan zich geen beeld vormen van iets dat totaal niet overeenkomt met wat hij zelf ooit gezien of gevoeld heeft. Hij kan dit overdrijven, verkleinen, combineren, delen, vervormen, verfraaien, verbeteren, vermenigvuldigen en vergelijken met wat hij ziet, wat hij voelt, wat hij hoort, met alles wat hij cognitief waarneemt door middel van zijn zintuigen; maar hij kan niet scheppen. Als hij machtsvertoon heeft waargenomen, kan hij almacht zeggen. Als hij geleefd heeft, kan hij onsterfelijk zeggen. Als hij iets over tijd weet, kan hij eeuwigheid zeggen. Als hij iets van intelligentie begrijpt, kan hij God zeggen. Als hij blijken van kwaadwilligheid gezien heeft, kan hij duivel zeggen. Als hij ooit enig moment van opperst geluk ervaren heeft in de sleur van zijn bestaan, kan hij hemel zeggen. Als hij pijn, in een van zijn talloze vormen geleden heeft, kan hij hel zeggen. Al deze noties zijn gefundeerd op feit, maar ze vormen alleen een fundering. Het gebouw dat daar op wordt gebouwd door overdrijving, verkleining, combinatie, afscheiding, vervorming, verfraaiing, verbetering of vermenigvuldiging van de werkelijkheid, heeft een structuur die niets meer is dan een onlogische samenvoeging van wat de mens heeft waargenomen door zijn zintuigen. Het is alsof we een leeuw de vleugels van een arend zouden geven, de hoeven van een bizon, de staart van een paard, de buidel van een kangaroe en de slurf van een olifant. In onze verbeelding hebben we dan een onmogelijk monster geschapen, en toch bestaan de afzonderlijke delen van dit monster echt. Zo is het ook met alle goden die de mens gemaakt heeft.

 Zelfs in zijn gedachten kan de mens niet buiten de natuur treden — boven de natuur kan hij niet stijgen — beneden de natuur kan hij niet vallen. De mens, in zijn onwetendheid, veronderstelde dat alle fenomenen veroorzaakt werden door intelligente machten, en dat die in directe betrekking tot hem stonden. Het onderhouden van vriendelijke betrekkingen met deze machten was, en is nog steeds, het doel van alle religies. De mens knielde in vrees en om bijstand af te smeken, of in dankbaarheid voor een vermeende gunst. Hij trachtte met een smeekbede een wezen tevreden te stellen waarvan hij geloofde dat het om enige reden vertoornd was geraakt. Donder en bliksem maakten hem doodsbang. In aanwezigheid van een vulkaan, zonk hij op zijn knieën. De grote wouden vol wilde en wrede dieren, de monsterlijke serpenten die in mysterieuze dieptes kronkelden, de grenzeloze zee, de vurige kometen, de onheilspellende zons- en maansverduisteringen, de immense stilte van de sterren, en meer dan alles nog, de doorlopende aanwezigheid van de dood, overtuigden hem ervan dat hij een speeltuig was van onzichtbare en kwaadaardige machten. De vreemde en beangstigende ziektes die hem troffen, het rillen en branden van koorts, de stuiptrekkingen van epilepsie, de plotselinge duizelingen, de duisternis van de nacht, en de woeste, vreselijke en fantastische dromen die zijn geest vervulden, overtuigden hem ervan dat hij vervolgd werd door talloze kwade geesten. Om bepaalde redenen veronderstelde hij dat al deze geesten in macht verschilden — dat ze niet allemaal even kwaadaardig waren — dat de hogere machten de lagere bestuurden, en dat zijn eigen bestaan afhing van het verkrijgen van de hulp van de machtigste. Voor dit doel zocht hij zijn toevlucht in gebed, in vleierij, in verering en in offerandes. Deze noties schijnen haast universeel te hebben bestaan in de vroege mens.

 Eeuwenlang hebben alle naties verondersteld dat zieken en geesteszieken bezeten waren door kwade geesten. Voor duizenden jaren gold als medicijn het afschrikken van deze geesten. Meestal waren het priesters die de luidste en meest valse geluiden maakten die mogelijk waren. Zij bliezen op hoorns, sloegen op primitieve trommels, kletterden met cimbalen, onderhand de meest woeste kreten slakend. Als het lawaai niet hielp, smeekten zij om de hulp van een nog krachtiger geest. 

 Het pacificeren van deze geesten werd als van oneindig belang beschouwd. De arme barbaar, wetende dat mensen vriendelijk gestemd konden worden door giften, gaf aan deze geesten datgene wat hem zelf het meest waardevol was. Met brekend hart offerde hij hen het bloed van zijn liefste kind. Het was hem onmogelijk zich een god voor te stellen die helemaal anders zou zijn dan hijzelf, en daarom veronderstelde hij vanzelfsprekend dat deze machten in de lucht een weinig geraakt zouden worden bij het zien van zulk een groot en diep leed. Het ging met de primitieve mens toen, net zoals met de geciviliseerde mens nu — een klasse leefde van, en exploiteerde de vrees van anderen. Bepaalde personen namen het op zich om de goden tevreden te stellen, en het volk te instrueren over hun plichten ten opzichte van deze onzichtbare machten. Dit was de oorsprong van de geestelijkheid. De priester pretendeerde tussen de wraakzucht van de goden en de hulpeloosheid van de mens te staan. Hij was de advocaat van de mensheid voor het hemelse gerechtshof. Naar die onzichtbare wereld droeg hij de vlag van vrede, een protest of een verzoek. Hij kwam terug met een opdracht, met gezag en met macht bekleed. De mens viel op zijn knieën voor zijn eigen dienaar, en de priester, het voordeel benuttend van het ontzag voor zijn veronderstelde invloed bij de goden, maakte van zijn medemens een kruiperige hypocriet en slaaf. Zelfs Christus, de beweerde zoon van God, onderwees dat personen door boze geesten bezeten waren, en gaf, volgens het verhaal, vaak bewijs van zijn goddelijke afkomst en missie door het uitdrijven van hordes duivels uit zijn ongelukkige landgenoten. Het uitdrijven van duivels was zijn kerntaak, en de duivels die hij uitdreef namen vaak de gelegenheid te baat om hem als de ware Messias te erkennen; hetgeen niet alleen erg aardig van hen was, maar ook heel erg goed voor zijn reputatie. Gelovigen hebben de getuigenissen van deze duivels altijd als perfect en doorslaggevend bewijs gezien, en de schrijvers van het Nieuwe Testament citeren de woorden van deze kinderen van de duisternis met grote instemming.

 Het feit dat Christus de verleidingen van de duivel kon weerstaan werd als overtuigend bewijs beschouwd voor het feit dat hij door een god werd bijgestaan, in ieder geval een wezen dat superieur was aan de mens. St. Mattheüs doet verslag van een poging door de duivel om de beweerde zoon van God te verleiden; en het heeft altijd de bewondering van christenen opgewekt dat deze verleiding zo nobel en heroïsch werd weerstaan. Het verslag waaraan ik refereer leest als volgt:

 'Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. Nadat hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had hij grote honger. Nu kwam de beproever naar hem toe en zei: 'Als u de Zoon van God bent, beveel dan die stenen in broden te veranderen.' Maar Jezus gaf hem ten antwoord: 'Er staat geschreven: 'De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.' Vervolgens nam de duivel hem mee naar de heilige stad en zette hem op het hoogste punt van de tempel. Hij zei tegen hem: 'Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: 'Zijn engelen zal hij opdracht geven om u op hun handen te dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.' Jezus antwoordde: 'Er staat ook geschreven: 'Stel de Heer, uw God, niet op de proef.' De duivel nam hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht en zei: 'Dit alles zal ik u geven als u voor mij neervalt en mij aanbidt.'  (Mattheüs 4:1-9)

 Nu beweren christenen dat Jezus God was. En als hij God was, zou de duivel dat feit ook moeten kennen, en toch, volgens dit verhaal, nam de duivel de almachtige God mee naar het hoogste punt van een tempel en probeerde hem toen te overreden zichzelf ter aarde te storten. Toen hij daarin niet slaagde, nam hij deze schepper, eigenaar en regeerder van het universum mee naar de top van een buitengewoon hoge berg, en bood hem deze wereld — deze korrel zand — aan, als hij, de God van alle werelden, voor hem zou neervallen en hem zou vereren, een arme duivel, zonder enige aanspraak op maar een meter aarde! Is het mogelijk dat de duivel zo idioot was? Moet men geloofwaardigheid verlenen aan een godheid die zou kunnen vallen voor zulke onzin? Denk u eens in! De duivel — de prins van oplichters — de koning van listigheid — de meester van geslepenheid, die probeert God om te kopen met een korrel zand die aan God zelf toebehoort?

 Kan er ergens, in alle religieuze literatuur ter wereld, iets nog meer grotesk absurd zijn dan dit?

 In vroegere tijden werd het bestaan van duivels algemeen erkend. Mensen twijfelden daar niet aan, en een logisch gevolg van dat geloof was dat een persoon, om deze duivels te kunnen overwinnen zelf een god moest zijn, of door een god geholpen moest worden. Alle oprichters van religies hebben hun claim op goddelijke oorsprong bevestigd door boze geesten te kunnen bezweren, of door natuurwetten op te schorten. Duivel uitdrijving was een certificaat van goddelijkheid. Een profeet die de krachten van de duisternis niet aan kon, werd met verachting bekeken. Het verkondigen van de meest nobele waarden, en de meest smetteloze en heilige levenswijze, verdienden maar weinig eerbied als ze niet gepaard gingen met het vermogen wonderen te verrichten, en geesten uit te drijven.

 Dit geloof in goede en kwade machten vond zijn oorsprong in het feit dat de mens omringd werd door wat hij meestal goede en kwade fenomenen noemde. Fenomenen die de mens aangenaam raakten werden aan goede geesten toegeschreven, terwijl fenomenen die hem onaangenaam of schadelijk raakten, aan kwaadaardige geesten werden geweten. Terwijl in de eerste plaats aangenomen werd dat alle fenomenen door geesten veroorzaakt werden, werden vervolgens de geesten verdeeld volgens de fenomenen, en de fenomenen waren goed of slecht naar de wijze waarop ze de mens raakten. Goede geesten werden verondersteld de veroorzakers van goede fenomenen te zijn, de kwade geesten van de kwade — en dus is het idee van een duivel even universeel als het idee van een god.

 Veel schrijvers houden vol dat een idee waar moet zijn om algemeen aanvaard te worden; dat alle universele denkbeelden aangeboren zijn, en dat aangeboren denkbeelden niet onwaar kunnen zijn. Als het feit dat een idee algemeen aanvaard is, bewijst dat het aangeboren is, en als het feit dat een idee aangeboren is bewijst dat het waar is, dan moeten de gelovers in aangeboren denkbeelden toegeven dat de bewijzen voor een god die boven de natuur staat, en voor een duivel die boven de natuur staat, exact hetzelfde zijn, en dat het bestaan van een dergelijke duivel dan net zo goed bewezen is als het bestaan van een god.

 In werkelijkheid was een God slechts een gevolgtrekking uit goede, en een duivel uit slechte fenomenen. En het is net zo natuurlijk en logisch om te veronderstellen dat een duivel geluk kan brengen als het is te veronderstellen dat een god ellende kan brengen. Dientengevolge, als een intelligent wezen, oneindig en allerhoogst, de directe veroorzaker is van alle fenomenen, is het moeilijk te bepalen of een dergelijk intelligent wezen de vriend of de vijand is van de mens. Als fenomenen allemaal goed waren, zouden we kunnen zeggen dat ze allemaal veroorzaakt werden door een volkomen goedgunstig wezen. Als ze allemaal slecht waren, zouden we kunnen zeggen dat ze gestuurd werden door een totaal kwaadaardige macht; maar, aangezien fenomenen zoals ze zich aan de mens voordoen zowel goed- als kwaadaardig kunnen zijn, moeten ze veroorzaakt worden door verschillende, elkaar tegenwerkende geesten; of door een geest die soms bewogen wordt door zachtaardigheid, en soms door boosaardigheid; of ze moeten allen ontstaan zijn uit een bepaalde noodzaak, zonder rekening te houden met de gevolgen die ze voor mensen hebben.

 De dwaze doctrine dat alle fenomenen terug te voeren zijn tot de bemoeienis van goede en kwade geesten was, en is nog steeds, bijna algemeen. Dat de meeste mensen geloven in een geest die het natuurlijk verloop van dingen kan veranderen, wordt bewezen door het feit dat ze bijna allemaal hun toevlucht tot gebed zoeken. Duizenden zijn, ook op precies dit moment, bezig om een veronderstelde macht te smeken om zich met hen te bemoeien. Sommigen vragen hun gezondheid terug; sommigen vragen bescherming voor een geliefde afwezige, sommigen bidden om rijkdom, sommigen om regen, sommigen willen van ziekten gevrijwaard blijven, sommigen vragen vergeefs om voedsel, sommigen om herleving, een paar vragen om meer wijsheid, en zo nu en dan vertelt iemand de Heer dat hij moet doen wat hem het beste lijkt. Duizenden vragen om tegen de duivel beschermd te worden; sommigen, zoals David, bidden om wraak, en sommigen smeken zelfs of God ze niet in verzoeking wil leiden. Al deze gebeden berusten op het idee dat een bepaalde macht niet alleen kan ingrijpen, maar waarschijnlijk ook zal ingrijpen in de toestand van het universum. Dit geloof heeft altijd bestaan onder het merendeel van stammen en naties. Alle heilige boeken staan vol met verslagen over zulke ingrepen, en onze eigen bijbel vormt daarop geen uitzondering.

 Als we geloven in een macht groter dan de natuur, is het volkomen vanzelfsprekend te veronderstellen dat een dergelijke macht kan en zal ingrijpen in de kwesties van de wereld. Als geen bemoeienis mogelijk zou zijn, welk praktisch nut zou die macht dan nog hebben? De Bijbel geeft ons de prachtigste verhalen over goddelijk ingrijpen; dieren die spreken als mensen; bronnen die opwellen uit droge beenderen; de zon die stil staat in de hemel zodat generaal Jozua meer tijd krijgt om te moorden; de schaduw op een zonnewijzer die tien graden achteruit gaat om een onbeduidende koning van een barbaars volk ervan te overtuigen dat hij niet aan een steenpuist zal sterven; vuur dat weigert te branden; water dat hardnekkig weigert om waterpas te gaan staan, maar overeind staat als een muur; zandkorrels die luizen worden; gewone wandelstokken, die gewoon voor de lol, zichzelf veranderen in slangen, en elkaar doorslikken bij wijze van oefening, kabbelende beekjes die lachen om de wetten van de zwaartekracht, en die jarenlang tegen heuvels op stromen om zwervende stammen te begeleiden; voorspellen wordt makkelijker dan geschiedenis; de zonen van God worden verliefd op meisjes van de wereld; vrouwen worden in zout veranderd met het doel de herinnering aan een grote gebeurtenis levend te houden in de geest van de mens; kleding weigert veertig jaar lang te verslijten; vogels houden er een restaurant op na en voeden gratis zwervende profeten; beren scheuren kinderen in stukken omdat ze oude mannen zonder pruik uitschelden; spierontwikkeling is afhankelijk van de lengte van haar; dode mensen staan weer op, gewoon om hun vijanden en erfgenamen dwars te zitten; heksen en tovenaars converseren vrijelijk met de zielen van de overledenen, en God zelf wordt steenhouwer en graveur, nadat hij kleermaker en naaister is geweest.

 De sluier tussen hemel en aarde was altijd al gescheurd of opgelicht. De schaduwen van deze wereld, de straling van de hemel, en het verblindende schijnsel van de vurige hel vermengden zich met elkaar totdat de mens niet meer wist waarin hij werkelijk verkeerde. De mens leefde in een onwezenlijke wereld. Hij zag zijn denkbeelden, zijn dromen aan voor werkelijkheid. Zijn angsten werden verschrikkelijke en kwaadaardige monsters. Hij leefde te midden van furies en elfen, nimfen en maagden, plaaggeesten en andere geesten, heksen en tovenaars, godheden en duivels. De obscure en naargeestige diepten waren vervuld van klauw en vleugel — van snavel en hoef — van lonkende blikken en grijnzende monden — van de boosaardigheid van misvorming, van de listigheid van haat, en van al die slijmerige vormen die vrees kan tekenen en schilderen op het beschaduwde doek van de duisternis.

 Het is genoeg om iemand haast gek van medelijden te maken, te bedenken wat de mensheid leed in zijn lange nacht; van de martelingen die hij doorstond, omringd, zoals hij veronderstelde, door boosaardige machten en gegrepen door de klauwen van wrede fantomen in de lucht. Geen wonder dat hij bevend op de knieën viel, dat hij altaren bouwde en die rood kleurde met zelfs zijn eigen bloed. Geen wonder dat hij gewetenloze priesters en schaamteloze wonderdoeners smeekte om hulp. Geen wonder dat hij nederig door het stof naar de tempeldeur kroop, om daar in de verstandsverbijstering van zijn wanhoop, de onhorende goden te smeken om zijn bittere roep van doodsangst toch aan te horen.

 Naarmate de primitieve mens zijn staat van barbarij ontgroeide, begon hij geleidelijk aan zijn vertrouwen in idolen van hout en steen te verliezen, en verving hij die door een veelheid van geesten. Toen zijn kennis toenam, schafte hij veelal de kleinere geesten af, en plaatste hij zijn vertrouwen in een geest waarvan hij veronderstelde dat die oneindig was en boven alles verheven. In de veronderstelling dat deze grote geest boven de natuur stond, bood hij verering en vleierij aan in ruil voor assistentie. Tenslotte, toen hij merkte dat hij geen hulp van die veronderstelde godheid ontving — toen hij ontdekte dat iedere zoektocht naar het absolute noodzakelerwijze in mislukking eindigt — toen hij ontdekte dat de mens met geen mogelijkheid het onvoorwaardelijke kan voorstellen — begon hij de feiten waardoor hij omringd werd, te onderzoeken.

 De mensen begonnen te denken, te redeneren en te onderzoeken. Langzaam, pijnlijk, maar zeker werden de goden verdreven van deze aarde. Slechts bij zeldzame gelegenheden werden ze nog, zelfs door de meest religieuzen, verondersteld zich met de aangelegenheden van de mens te bemoeien. In de meeste zaken werden we eindelijk verondersteld vrij te zijn. Sinds de uitvinding van stoomschepen en spoorwegen, waarmee de producten van alle landen gemakkelijk uitgewisseld kunnen worden, hebben de goden de business van het produceren van hongersnood opgegeven. 

 Af en toe doden ze nog een kind omdat het door zijn ouders verafgood wordt. In het algemeen hebben ze het veroorzaken van spoorweg ongelukken, ontploffen van ketels en in brand vliegen van petroleumlampen opgegeven. Cholera, gele koorts en pokken worden wel nog steeds als hemelse wapens gezien; maar mazelen, schurft en malaria worden nu aan natuurlijke oorzaken toegeschreven. In het algemeen zijn de goden gestopt met het verdrinken van kinderen, behalve als straf voor het overtreden van de zondagsrust. Ze hebben nog wel steeds aandacht voor de affaires van koningen, geniale mensen en de zeer rijken; maar gewone mensen moeten het zo goed als ze kunnen, verder zelf maar uitzoeken. In oorlogen tussen grote naties, treden de goden echter nog steeds op; maar in sportieve wedstrijden kan de beste man met een eerlijke scheidsrechter, er haast zeker van zijn te winnen.

 Toch kan de kerk het idee van goddelijke voorzienigheid niet laten varen. Dat doctrine op te geven is alles opgeven. De kerk moet volhouden dat gebeden verhoord worden — dat een bovennatuurlijke macht het verzoek van de oprechte en nederige christen verhoort, en dat diezelfde macht op mysterieuze wijze ook voor ons allen voorziet.

 Een vrome geestelijke benutte iedere gelegenheid om zijn zoon van het feit te doordringen dat God voor al zijn schepselen zorgt; dat het vallen van een mus zijn aandacht trekt, en dat zijn liefdevolle zorg zich over al zijn werken verspreidt. Toen ze op een dag een kraanvogel door het water zagen waden op zoek naar voedsel, wees de goede man zijn zoon erop hoe perfect de kraanvogel voor zijn levenswijze was toegerust.

 'Kijk,' zei hij, 'hoe zijn poten geschikt zijn voor het waden! Wat een lange snavel hij heeft! Let eens op hoe hij zijn voeten vouwt wanneer hij ze in en uit het water haalt! Hij veroorzaakt niet de geringste rimpeling. Daardoor is hij in staat om de vis ongemerkt te benaderen.' 

 'Mijn zoon,' zei hij, 'het is onmogelijk naar die vogel te kijken zonder het ontwerp, of de goedheid van God te erkennen, in de manier waarop hij hem van zijn middel van bestaan heeft voorzien.' 'Ja,' antwoordde de jongen, 'ik denk dat ik de goedheid van God wel kan zien, tenminste wat die kraanvogel betreft; maar uiteindelijk, vader, vindt u niet dat deze regeling een beetje unfair is voor de vis?'

 Zelfs de gevorderde gelovige, hoewel hij niet meer gelooft in die omvang van de bemoeienis van de goden in de tegenwoordige tijd, denkt nog steeds dat een bepaalde god in het begin natuurwetten uitvaardigde die het universum betreffen. Hij gelooft dat als gevolg van deze wetten de mens met een hefboom een groter gewicht kan heffen, dan zonder; dat deze god materie zo gemaakt heeft, en de regels zo gesteld, dat twee lichamen niet tegelijkertijd dezelfde ruimte kunnen bezetten; dat een lichaam als het eenmaal in beweging is gezet, in beweging zal blijven totdat het tegengehouden wordt; dat de afstand rondom een cirkel groter is dan die door het middelpunt; dat een perfect vierkant vier gelijke zijden heeft, in plaats van vijf of zeven. Hij houdt vol dat het de tussenkomst van de Voorzienigheid was waaraan we danken dat het geheel groter is dan een deel, en dat als deze bovennatuurlijke macht niet zou bestaan, twee maal een misschien wel meer zou zijn geweest dan twee maal twee, of dat stokken en eindjes touw misschien ieder maar een uiteinde zouden hebben. En net zoals die vroegere Schotse geestelijke, dankt hij God dat zondag op het eind, in plaats van in het midden van de week komt, en de dood aan het eind van het leven, in plaats van in het begin, zodat we ons grondig kunnen voorbereiden op die heilige dag en dat plechtige moment. Deze religieuze mensen zien niets anders dan ontwerp overal om zich heen, en persoonlijke intelligente bemoeienis met alles. Ze houden vol dat het universum geschapen werd, en dat de aanpassing van de middelen aan hun doel perfect duidelijk zijn. Ze wijzen ons op de zonneschijn, op de bloemen, op de april buitjes en op alles wat mooi en nuttig voor de wereld is. Hebben ze er ooit over nagedacht dat een kankergezwel in zijn ontwikkeling net zo mooi is als de roodste roos? Dat datgene wat zij zo graag de aanpassing van de middelen aan hun doel noemen, net zo zichtbaar is in het kankergezwel als in de regen in april? Hoe prachtig is het proces van vertering! Door wat een ingenieuze methode wordt het bloed vergiftigd zodat het kankergezwel gevoed wordt! Door wat een groots vernuft wordt het hele menselijke lichaam ondergeschikt gemaakt aan dat goddelijke en mooie kankergezwel! Kijk eens wat een bewonderenswaardige vaardigheden het bezit om zich te voeden met het omringende huiverend tere vlees! Zie het langzaam maar zeker groeien! Van welk een wonderbaar mechanisme het is voorzien, met lange, slanke wortels die grijpen naar de verborgen zenuwen van pijn, voor zijn voeding en zijn leven! Wat een prachtige kleuren het toont! Door de microscoop gezien is het een wonder van orde en schoonheid! Al het menselijk vernuft kan zijn groei niet tot staan brengen. Denk eens aan de hoeveelheid vernuft die vereist was om uit te vinden hoe het leven van een mens benut kan worden om een kankergezwel te maken! Is het mogelijk daarnaar te kijken en er aan te twijfelen dat er ontwerp is in het universum, en dat de maker van dit prachtige kankergezwel oneindig machtig, ingenieus en goed is?

 Ons wordt voorgehouden dat de het universum ontworpen en geschapen is, en dat het absurd is te veronderstellen dat materie eeuwig bestaan heeft, maar dat het perfect vanzelfsprekend is dat dit voor god wel het geval is.

 Als een god het universum geschapen heeft, dan volgt hieruit dat er een tijdstip geweest is waarop hij begon te scheppen. Voor dat moment in tijd moet er dus een eeuwigheid geweest zijn waarin er niets bestond — absoluut niets — behalve die veronderstelde god. Volgens deze theorie leefde deze god een eeuwigheid, om het zo maar eens te zeggen, in een oneindig vacuüm, en in een perfect nietsdoen. 

 Gesteld dat een god het universum geschapen heeft, rijst de vraag waaruit hij het geschapen heeft. Het was zeker niet uit het niets gemaakt. Niets te gebruiken als basismateriaal leidt gegarandeerd tot mislukking. Daaruit volgt dat de god het universum uit zichzelf moet hebben gemaakt, daar hij het enige was dat bestond. Het universum bestaat uit materie, en als het uit een god gemaakt was, moet de god uit materie gemaakt zijn. Het moet precies deze gedachte zijn geweest die Anaximander van Miletus tot zijn uitspraak bracht: 'Schepping is de desintegratie van het oneindige.'

 Er is aangetoond dat de aarde op de zon zou vallen, ware het niet, dat deze ook weer aangetrokken wordt door andere werelden, en dat deze werelden aangetrokken worden door weer andere werelden nog verder weg, en zo verder, zonder eind. Dit bewijst dat het stoffelijke universum oneindig is. Als een oneindig universum uit een oneindige god gemaakt werd, hoeveel is er dan nog van de god overgebleven?

 Het idee van een scheppende godheid wordt geleidelijk aan verlaten, en bijna alle ware wetenschappelijke geesten stellen dat materie al eeuwig bestaan moet hebben. Het is onverwoestbaar, en het onverwoestbare kan niet geschapen worden. Het is de grootste verdienste van onze tijd geweest de onverwoestbaarheid van materie, en de eeuwige aanwezigheid van energie aan te tonen. Materie noch energie kunnen vermeerderd noch verminderd worden. Energie kan niet los van materie bestaan. Materie bestaat slechts in verband met energie, en dientengevolge is energie los van materie, en boven de natuur staande, een bewezen onmogelijkheid.

 Energie moet daarom ook al eeuwig bestaan hebben, en kon dus niet geschapen zijn. Materie in al zijn talloze verschijningsvormen, van dode aarde tot de ogen van degene die we liefhebben, en energie, in al zijn manifestaties, van eenvoudige beweging tot de meest grootse gedachte, ontkennen schepping en weerspreken besturing.

 Gedachten zijn een vorm van energie. De energie waarmee we lopen is dezelfde energie als waarmee we denken. De mens is een organisme, dat verschillende vormen van energie verandert in denkvermogen. De mens is een machine waarin we stoppen wat we voedsel noemen, en waarmee we produceren wat we denken noemen. Bedenk eens wat een wonderbaarlijke chemie het is, die brood in de goddelijke tragedie van Hamlet kan omzetten!

 Een god moet niet alleen stoffelijk zijn, hij moet ook een organisme zijn, capabel om andere vormen van energie om te zetten in denkvermogen. Dit is wat we dus eten noemen. Daarom, als een god denkt, moet hij eten, dat wil zeggen dat hij over enig middel moet beschikken om de energie te leveren waarmee hij kan denken. Het is onmogelijk een wezen voor te stellen dat voor eeuwig macht kan uitoefenen over materie, en toch over geen middel beschikt waarmee die macht uitgeoefend kan worden.

 Als materie noch energie geschapen zijn, welk bewijs blijft er dan nog over voor een bovennatuurlijke macht? Theologen zullen waarschijnlijk zeggen: 'We hebben wetten en orde, oorzaak en gevolg, en bovendien kan materie zichzelf niet in beweging hebben gezet.'

 Stel, bij wijze van argument, dat er geen bovennatuurlijk wezen bestaat, en dat materie en energie altijd bestaan hebben. Veronderstel nu dat twee atomen samenkomen, zou dat gevolg hebben? Ja. Veronderstel dat ze van precies tegenovergestelde richtingen komen met gelijke energie, dan zouden ze op zijn minst stoppen. Dat zou een gevolg zijn. Als dat zo is, dan hebben we materie, energie en gevolg zonder een bovennatuurlijk wezen. Veronderstel nu dat twee andere atomen, net als de eerste twee samenkomen onder identieke omstandigheden, zou het gevolg dan niet precies hetzelfde zijn? Ja. Dezelfde oorzaken, dezelfde gevolgen veroorzakend, is wat we bedoelen met wetmatigheid en volgorde. Dan hebben we dus materie, energie, gevolg, wetmatigheid en volgorde zonder een bovennatuurlijk wezen. Nu weten we dat ieder gevolg ook weer een oorzaak wordt, en dat iedere oorzaak ook een gevolg heeft. De atomen die samen kwamen hadden een gevolg, en omdat ieder gevolg ook weer een oorzaak moet worden, moet het gevolg van de botsing van twee atomen weer de oorzaak van iets anders zijn. Dan hebben we materie, energie, wetmatigheid, volgorde, oorzaak en gevolg zonder een bovennatuurlijk wezen. Voor het bovennatuurlijke is niets dan lege ruimte overgebleven. Zijn troon is ledige ruimte, zijn gepochte rijk is zonder materie, zonder energie, zonder wetmatigheid, zonder oorzaak, en zonder gevolg.

 Maar wat heeft al deze materie in beweging gezet? Als materie en energie altijd bestaan hebben, dan moet materie altijd in beweging zijn geweest, want er kan geen energie bestaan zonder beweging. Energie is altijd actief, er is geen stilstand, er kan geen stilstand bestaan. Daarom, als materie en energie altijd bestaan hebben, moet beweging ook altijd hebben bestaan. In het hele universum is er geen enkele atoom in een staat van rust.

 Een godheid buiten de natuur bestaat in het niets, en is niets. Natuur omhelst met oneindige armen alle materie en alle energie. Datgene wat buiten haar bereik ligt ontbreekt het aan beide, en kan nauwelijks de verering en bewondering verdienen van zelfs maar de mens.

 Er bestaat maar een enkele manier waarop het bestaan van een macht, onafhankelijk van de natuur en daar boven staande, bewezen kan worden, en dat is door het onderbreken, al is het maar voor een moment, van de continuïteit van oorzaak en gevolg. Verwijder uit de eindloze ketting van het bestaan een kleine schakel; stop voor een moment de grote optocht en u heeft zonder enige tegenspraak getoond dat de natuur een meester heeft. Verander het feit, voor slechts een seconde, dat materie materie aantrekt, en er verschijnt een god.

 De meest primitieve wilde heeft dit altijd geweten, en eiste daarom een wonder als bewijs. De oprichter van een religie moest in staat zijn water in wijn te veranderen — met een woord de blinde en de lamme te genezen, en met een simpele aanraking de dode tot leven te wekken. Hij moest tot tevredenheid van zijn barbaarse discipel aantonen dat hij boven de natuur stond. In tijden van onwetendheid, was dit eenvoudig te verwezenlijken. De goedgelovigheid van de wilde was haast grenzeloos. Het wonderbaarlijke vond hij prachtig, mysterie was subliem. Dientengevolge had iedere religie een wonder als basis — dat wil zeggen, een overtreding van natuurwetten — dat wil zeggen, een bedrog.

 Niemand, in de hele wereldgeschiedenis, heeft ooit geprobeerd een waarheid te onderbouwen met een wonder. Waarheid veracht de hulp van een mirakel. Alleen bedrog waarmerkt zichzelf door tekens en wonderen. Er is nog nooit een wonder verricht, en geen verstandig mens heeft zich ooit verbeeld een wonder te hebben verricht, en totdat er een is verricht kan er geen bewijs zijn voor het bestaan van enige macht die boven de natuur staat, en daar onafhankelijk van is.

 De kerk wil dat wij geloven. Laat de kerk, of een van zijn intellectuele heiligen, eens een wonder verrichten en dan zullen we geloven. Ons wordt voorgehouden dat iemand boven de natuur staat. Laat deze bovennatuurlijke macht, al is het maar voor een enkel moment, blijk geven de natuur te kunnen besturen, en wij zullen de waarheid van haar beweringen erkennen.

 We hebben genoeg horen praten. We hebben geluisterd naar alle slaapverwekkende, afgezaagde, geesteloze preken die we wensen aan te horen. We hebben uw bijbel gelezen, en de werken van uw grootste geesten. We hebben uw gebeden gehoord, uw plechtstatig gekreun en uw eerbiedige amens. Ze betekenen minder dan niets. We willen een feit. We smeken aan uw kerkdeuren voor maar een klein feit. We schuiven aan in uw kerkbanken en onder uw preekstoelen en smeken u om alleen maar een klein feit. We weten alles over uw beschimmelde wonderen en uw oudbakken mirakels. We willen het 'feit van dit jaar'. We hoeven er maar een. Geef ons een feit, uit liefdadigheid. Uw mirakels zijn te antiek. De getuigen zijn nu bijna tweeduizend jaar dood. Hun reputatie voor 'waarheid en geloofwaardigheid' in de buurt waar zij woonden, is ons totaal onbekend. Geef ons een nieuw wonder, en ondersteun het met getuigen die er nog steeds de opgewekte gewoonte op na houden op deze wereld te leven. Stuur ons niet naar Jericho om de hoorns te horen blazen, plaats ons niet in het vuur met Shadrach, Meshech en Abednego. Verplicht ons niet de zee te bevaren met kapitein Jonas, of te dineren met meneer Ezekiël. Het heeft geen nut ons op vossenjacht te sturen met Samson. We hebben het laatste beetje belangstelling verloren voor de toespraak die zo welbespraakt door de geïnspireerde ezel van Balaäm werd geleverd. Het is nog minder dan nutteloos ons vissen te tonen met geld in hun bek, of ons te wijzen op de grote menigten die zich vol aten uit een voorraad van vijf crackers en twee sardientjes. We eisen een nieuw wonder, en we eisen het nu. Laat de kerk er nu minstens een verschaffen, of zich voor altijd stil houden.

 In vroegere eeuwen bewees de kerk, door het overtreden van natuurwetten, het bestaan van haar God. Toen konden wonderen nog met verbluffend gemak verricht worden. Ze werden zo gewoon dat de kerk haar priesters er van moest gaan weerhouden. En nu geeft deze zelfde kerk niet alleen toe — de mensen zijn wat verstandiger geworden —  dat ze geen wonderen kan verrichten, maar houdt ze ook vol dat de afwezigheid van wonderen, de stabiele, onafgebroken opmars van oorzaak en gevolg, het bestaan bewijst van een bovennatuurlijk wezen. Het is echter een feit dat de onverbrekelijke ketting van oorzaak en gevolg precies het tegengestelde bewijst.

 Sir William Hamilton, een van de steunpilaren van de moderne theologie, gebruikt de volgende woorden in zijn bespreking van juist dit onderwerp: 'De fenomenen van materie op zichzelf, zo ver van het rechtvaardigen van enige gevolgtrekking voor het bestaan van een god, zouden in het tegengestelde geval zelfs grond kunnen geven aan een argument voor zijn ontkenning. De fenomenen van de materiële wereld zijn onderworpen aan onveranderlijke wetten; worden geproduceerd en gereproduceerd in dezelfde onveranderlijke volgorde, en manifesteren alleen de blinde kracht van een mechanische noodzaak.'

 Natuur is slechts een eindeloze serie doelgerichte oorzaken. Ze kan niet scheppen, maar ze transformeert voortdurend. Er was geen begin, en er kan geen einde zijn. De grootste geesten, zelfs in de religieuze wereld, erkennen dat er in de stoffelijke natuur geen bewijs bestaat voor wat zij zo graag een god noemen. Zij vinden hun bewijs in de fenomenen van intelligentie, en heel naïef stellen ze dat intelligentie boven natuur staat, en in feite daaraan tegengesteld is. Ze beweren dat de mens een bijzondere schepping is; dat hij ergens in zijn geest een goddelijke vonk heeft, een klein deel van de 'Grote Eerste Oorzaak'. Ze zeggen dat materie geen gedachten voort kan brengen, maar dat gedachten materie voortbrengen. Ze zeggen dat de mens intelligentie bezit, en dat er daarom een grotere intelligentie dan de zijne moet bestaan. Waarom zeggen ze dan niet dat God intelligentie heeft, dus dat er een grotere intelligentie dan de zijne moet bestaan? Voor zover we weten, bestaat er geen intelligentie los van materie. We kunnen ons geen gedachten voorstellen, anders dan die welke door hersens worden geproduceerd.

 De wetenschap waarvan zij zich bedienen om het bestaan van een onmogelijke intelligentie en een onbegrijpelijke macht te bewijzen, wordt metafysica of theologie genoemd. Theologen erkennen dat de fenomenen van materie er op zijn minst toe neigen het tegendeel te bewijzen voor het bestaan van enige bovennatuurlijke macht, omdat we in die fenomenen niets anders zien dan een eindeloze reeks van doelgerichte oorzaken — niets anders dan de energie van een werktuiglijke noodzakelijkheid. Daarom beroepen zij zich op wat ze noemen de fenomenen van de geest, om die superieure macht vast te stellen.

 Het probleem is dat we in de fenomenen van de geest dezelfde eindeloze keten van doelgerichte oorzaken vinden; dezelfde werktuiglijke noodzakelijkheid. Iedere gedachte moet een doelgerichte oorzaak hebben gehad. Ieder motief, iedere verlangen, iedere vrees, hoop en droom moet vanzelfsprekend geproduceerd zijn. Er is geen ruimte in de geest van de mens voor voorzienigheid of toeval. De feiten en krachten die onze gedachten besturen zijn net zo absoluut als die welke de beweging van de planeten besturen. Een gedicht wordt gevormd door de krachten in de natuur, en is net zo vanzelfsprekend op natuurlijke wijze geproduceerd als bergen en oceanen. U zult vergeefs naar een gedachte zonder oorzaak in een mensenbrein zoeken. Iedere mentale inspanning is het vanzelfsprekende resultaat van bepaalde feiten en omstandigheden. Mentale fenomenen worden als meer gecompliceerd beschouwd dan die van materie, en dientengevolge als meer mysterieus. Omdat ze mysterieuzer zijn, worden ze beschouwd als beter bewijs voor het bestaan van een god. Niemand leidt een god af van het eenvoudige, van het bekende, van wat begrepen wordt, maar van het complexe, van het onbekende, en onbegrijpelijke. 

 Onze onwetendheid is God; onze kennis is wetenschap.

 Als we de doctrine loslaten van een oneindig wezen dat materie en energie schiep, en dat wetten opstelde voor hun gedrag, is het idee van bemoeienis ook verloren. De echte priester zal dan niet een zegsman voor een beweerde godheid zijn, maar de tolk van de natuur. Vanaf dat moment zal de kerk ophouden te bestaan. De kaarsen zullen uitdoven op het stoffig altaar; de motten zullen het verschoten fluweel van preekstoel en kerkbank opeten; de Bijbel zal zijn plaats innemen naast de Shastra, de Purana, de Veda, de Edda, de Saga en de Koran, en de belemmeringen van een vernederend geloof zullen van de geest van de mensheid vallen. 

 'Maar,' zegt de streng gelovige, 'je kunt niet alles verklaren; je kunt niet alles begrijpen; en datgene wat je niet kunt verklaren, dat wat je niet kunt begrijpen, is mijn God.' 

 We kunnen iedere dag meer verklaren. Iedere dag begrijpen we meer; dientengevolge wordt uw god dan iedere dag kleiner.

 Onvervaard zal de gelovige dan nog volhouden dat niets kan bestaan zonder een oorzaak, behalve oorzaak zelf, en dat deze oorzaak zonder oorzaak God is.

 Hierop kunnen we weer antwoorden: Iedere oorzaak moet een gevolg teweeg brengen, omdat het niet eerder oorzaak kan zijn dan nadat het gevolg heeft gehad. Ieder gevolg moet op zijn beurt oorzaak worden. Daarom kan er logischer wijze niet een laatste oorzaak bestaan, de reden zijnde dat een zogenaamde laatste oorzaak vanzelf gevolg moet opleveren, en dat gevolg vanzelf weer oorzaak wordt. Het omgekeerde van deze stelling moet waar zijn. Ieder gevolg moet een oorzaak hebben gehad, en ieder oorzaak moet een gevolg zijn geweest. Daarom kan er niet een eerste oorzaak hebben bestaan. Een eerste oorzaak is net zo onmogelijk als een laatste gevolg.

 Buiten het universum bestaat niets, en binnen het universum bestaat het bovennatuurlijke niet, en kan er niet bestaan.

 Het moment waarop deze grote waarheden begrepen en aanvaard worden, wordt geloof in een algemene of goddelijke voorzienigheid onmogelijk. Vanaf dat moment zal de mens ophouden met zijn vergeefse pogingen het een denkbeeldig wezen naar de zin te maken, en zijn tijd en attentie wijden aan de affaires van deze wereld. Hij zal het idee opgeven iets te kunnen bereiken door gebed en onderwerping. Het element van onzekerheid zal in belangrijke mate verwijderd worden van het domein van de toekomst, en de mens, moed verzamelend uit een serie overwinningen over de beperkingen van de natuur, zal een serene grandeur verwerven die ongekend is bij de discipelen van welk bijgeloof dan ook. De plannen van de mensheid zullen niet meer verstoord worden door de vinger van een veronderstelde almachtigheid, en niemand zal nog geloven dat naties of individuen beschermd of vernietigd kunnen worden door welke godheid dan ook. Wetenschap, bevrijdt van de ketens van vrome gewoontes en evangelische vooringenomenheid, zal allesbepalend zijn binnen haar invloedssfeer. De geest zal zonder eerbied onderzoeken, en haar resultaten zonder vrees publiceren. Agassiz zal niet langer aarzelen de Mozaïsche kosmogonie totaal inconsistent te verklaren met bewezen waarheden in geologie, en zal geen eerbied voor de oude Joodse geschriften meer hoeven voor te wenden. Het moment dat de wetenschap erin slaagt de kerk machteloos in het kwaad te maken, zullen de ware denkers zich openhartig uitspreken. De vlagjes van wapenstilstand van timide filosofen zullen verdwijnen, en het laffe onderhandelen zal plaats maken voor de overwinning — blijvend en universeel.

 Als we erkennen dat enig oneindig wezen de lotsbestemming bepaald heeft van personen of volkeren, wordt de geschiedenis een zeer wrede en bloedige vertoning. Eeuw na eeuw hebben de sterken de zwakkeren vertrapt; de listigen en hartelozen hebben de eenvoudigen en onschuldigen bedrogen en gevangen genomen, en nergens in de gehele geschiedenis van de mensheid heeft enige god de onderdrukten bijgestaan.

 De mens moet ophouden hulp van boven te verwachten. We horen nu onderhand te weten dat de hemel geen oren heeft om te horen, en geen handen om te helpen. Het heden is het vanzelfsprekende gevolg van het verleden. Er is geen toeval geweest, en er kan geen bemoeienis zijn.

 Als misstanden uit de weg geruimd moeten worden, moet de mens dat doen. Als slaven bevrijd moeten worden, moet de mens ze bevrijden. Als nieuwe waarheden ontdekt moeten worden, moet de mens ze ontdekken. Als de naakten gekleed moeten worden; als de hongerigen gevoed moeten worden; als recht gedaan moet worden; als arbeid beloond moet worden; als bijgeloof uit de geest verdreven moet worden; als de weerlozen beschermd moeten worden en als het recht uiteindelijk moet zegevieren, moet dat het werk van de mens zijn. De grote victories van de toekomst moeten door de mens bevochten worden, en door de mens alleen.

 De natuur, zolang we die al hebben kunnen waarnemen, vormt, transformeert en hertransformeert voortdurend, zonder mededogen en zonder bedoeling. Ze betreurt noch verheugt zich. Ze produceert de mens zonder doel, en vaagt hem weg zonder spijt. Ze kent het onderscheid niet tussen het gunstige en het ongunstige. Vergif en voeding, pijn en blijdschap, leven en dood, lachen en tranen zijn haar allemaal gelijk. Ze is genadig noch wreed. Ze kan door vleierij niet behaagd worden, noch door tranen vermurwd. Ze kent zelfs de houding van gebed niet. Ze waardeert zelfs het verschil niet tussen het gif in de tanden van de slang en de barmhartigheid in het hart van de mensen. Alleen door de mens kan de natuur het goede, het ware en het mooie onderscheiden; en, voor zover we weten, is de mens de hoogste intelligentie.

 En toch blijven mensen geloven dat er een macht bestaat die onafhankelijk van natuur is, die daar boven staat, en probeert hij door ceremonieel, onderwerping, huichelarij en opoffering, hulp daarvan te krijgen. Zijn grootste inspanningen gaan verloren in de dienst aan dit fantoom. De vrees voor hekserij ontstond uit een onnozel geloof in het bestaan van een totaal verdorven bovennatuurlijk wezen, dat volslagen onafhankelijk van natuurwetten opereert; en alle religieus bijgeloof is gebaseerd op het geloof in het bestaan van minstens twee wezens, de ene goed en de andere slecht, die beide naar willekeur de wetmatigheid van het universum kunnen wijzigen. De geschiedenis van religie is niet meer dan het verhaal van menselijke inspanningen door de eeuwen heen, om de een te vermijden en de ander tevreden te stellen. Beide machten hebben weinig anders opgeleverd dan diepe vrees. De koude, berekenende grimas van de duivel, en de afkeurende frons van God, waren beide even schrikwekkend. In elk geval werd over het lot van de mens, willekeurig en voor altijd, beslist door een onbekende macht die boven alle wetten stond, en boven alle feiten. Totdat dit geloof afgeworpen wordt, moet de mens zichzelf als de slaaf van fantoom heersers beschouwen — die geen van beide vrijheid beloven in deze wereld, of de volgende.

 De mens moet leren op zichzelf te vertrouwen. Het lezen van bijbels zal hem niet beschermen tegen de winterse kou, maar huizen, kleding en vuur zullen dit wel doen. Om hongersnood te voorkomen is een ploeg meer waard dan duizend preken, en zelfs standaard geneesmiddelen genezen meer ziektes dan al de gebeden die sinds het begin van de wereld geuit zijn.

 Hoewel veel uitmuntende mensen getracht hebben voorbestemming en vrije wil te harmoniseren, net zoals het bestaan van kwaad en de oneindige macht en goedheid van God, zijn ze er slechts in geslaagd geleerde en ingewikkelde mislukkingen te produceren. Immense inspanningen zijn geleverd om noties die totaal inconsistent zijn met de feiten waarmee we omringd worden, met elkaar in overeenstemming te brengen, en alle personen die de beweerde overeenstemming niet willen inzien, zijn uitgemaakt voor heidenen, atheïsten en spotters. De hele macht van de kerk is aangewend tegen filosofen en wetenschappers, teneinde ontkenning van het gezag van aantoonbaar bewijs af te dwingen, en om een Judas te bewegen een van de redders van de mensheid, de Rede, te ontkennen.

 Tijdens die verschrikkelijke periode die bekend staat als de Duistere Middeleeuwen, heerste Religie, met nauwelijks een opstandige onderdaan. De vloeren van haar tempels waren met knieën geplaveid, en de rijkdom van naties tooide haar talloze heiligdommen. Grote kunstenaars prostitueerden hun gaven om haar grillen te vereeuwigen, terwijl toondichters ze in gewijde muziek vastlegden. Op haar aansporing doordrenkte de mens de aarde met bloed, door haar goud werd de balans van rechtvaardigheid gekanteld, en voor haar gebruik werden de wreedste martelwerktuigen uitgevonden. Ze bouwde kathedralen voor God, en kerkers voor mensen. Ze bevolkten de wolken met engelen en de aarde met slaven. Eeuwenlang liep de mensheid achterwaarts — steeds verder terug kerende in de barbaarse nacht! Een paar heidenen — een paar ketters riepen uit: 'Halt!' tegen de onnozele aanbidding door de grote massa, en maakten het uiteindelijk mogelijk voor het genius van de negentiende eeuw om in opstand te komen tegen het wrede dogma van de kerk en de bijgelovigheid van de mens.

 Om werkelijk van waarde te zijn, moeten de gedachten van de mens vrij zijn. Door de inwerking van vrees wordt de geest verlamd, en in plaats van een probleem zelf moedig aan te pakken, aanvaardt deze bevende de oplossing van een ander. Zolang de meerderheid van mensen ineen krimpt voor een onbeduidende prins of koning, wat moet dan wel niet de oneindige verachtelijkheid van hun kleine zielen zijn in de aanwezigheid van hun veronderstelde schepper en God? Hoeveel waarde kunnen we nog aan hun gedachten hechten onder zulke voorwaarden?

 De originaliteit van herhaling, de mentale vitaliteit van berusting, zijn alles wat we nog mogen verwachten van de christelijke wereld. Zolang iedere vraag nog wordt beantwoord met het woord 'God' is wetenschappelijk onderzoek eenvoudig onmogelijk. Zo snel als fenomenen op bevredigende wijze verklaard worden, zo snel gaat het domein van de veronderstelde bovennatuurlijke macht zich verkleinen, terwijl de horizon van het bekende zich continu verbreedt.

 Het is niet langer bevredigend om de opkomst en ondergang van naties te verantwoorden als de wil van God. Een dergelijke uitleg plaatst onwetendheid en scholing op exact hetzelfde niveau, en doet het idee teniet van iets ook maar echt te willen verklaren.

 Wil de streng gelovige pretenderen dat het ware doel van wetenschap is om vast te stellen hoe en waarom God werkt? Vanuit een dergelijk gezichtspunt zou wetenschap bestaan uit een onderzoek naar de wet van willekeurige acties, en uit een grootse poging de wetten vast te stellen waaraan een oneindige grilligheid gehoorzaamt.

 Vanuit een filosofisch gezichtspunt gezien is wetenschap kennis van de wetten van het leven; van de voorwaarden voor geluk; van de feiten waarmee we omgeven zijn, en de relaties die we onderhouden met mensen en dingen, door middel waarvan de mens, populair gezegd, de natuur beteugeld en de krachten daarin naar zijn wil buigt, en zo brute kracht tot de dienaar van zijn brein maakt.

 Een geloof in goddelijke voorzienigheid ontmoedigt inspiratie tot onderzoek, en is onverenigbaar met persoonlijke inspanning. Waarom zou de mens trachten de plannen van God te dwarsbomen? Wie van u kan door na te denken ook maar iets aan zijn standing toevoegen? Onder invloed van zulk geloof kan de mens, zich koesterend in de zonneschijn van zijn zinsbegoocheling, de lelies op het veld aanschouwen en weigeren zich zorgen over de dag van morgen te maken. Zichzelf in de macht van een oneindig wezen wanend, dat hem op ieder moment in het diepst van de hel kan storten of naar de hoogste hemelen verheffen, geeft hij vanzelf het idee op om op eigen kracht iets te bereiken. Zolang dit geloof nog wijd verbreid was, was de wereld vervuld van onwetendheid, bijgeloof en ellende. Alle energie van de mens was verspild in een vergeefse poging om hulp van deze macht te krijgen, een macht waarvan verondersteld werd dat die boven de natuur stond. Gedurende talloze eeuwen werd zelfs de mens geofferd op het altaar van deze onmogelijke god. Om hem te plezieren hebben moeders het bloed van hun eigen zuigelingen vergoten; hebben martelaren triomfantelijke liederen geschreeuwd in de vlammen van de brandstapel; hebben priesters gezwolgen in bloed; hebben nonnen de verrukkingen van de liefde afgezworen; hebben oude mannen beverig gesmeekt; hebben vrouwen gesnikt en gesmeekt; is iedere pijn doorstaan, en iedere wandaad begaan.

 Tijdens de lange duistere jaren die achter ons liggen heeft de mensheid meer geleden dan men zich kan voorstellen. De meeste ellende moest worden doorstaan door de zwakkeren, de liefdevollen en de onschuldigen. Vrouwen zijn als giftige beesten behandeld, en kleine kinderen werden vertrapt alsof ze ongedierte waren. Talloze altaren werden rood gekleurd, zelfs met het bloed van kleine kinderen; mooie meisjes werden aan slijmerige slangen gegeven; hele mensenrassen werden verdoemd tot eeuwen van slavernij, en overal zijn gewelddaden gepleegd die alle beschrijving tarten. Gedurende al die jaren hebben de lijdenden nederig gevraagd; hebben de verweerde lippen van hongerenden gebeden; hebben de bleke slachtoffers gesmeekt, en de Hemel was doof en blind.

 Welk nut hebben de goden gehad voor de mensheid? Het is geen antwoord om te zeggen dat een god de wereld geschapen heeft, een zekere wetmatigheid heeft vastgelegd, en daarna zijn aandacht aan andere zaken heeft gewijd, zijn kinderen zwak, onwetend en zonder bijstand achterlatend om de strijd met het leven alleen aan te gaan. Het is geen oplossing te verklaren dat hij, te zijner tijd, in een andere wereld sommige, of zelfs alle, van zijn onderdanen gelukkig zal maken. Met welk recht verwachten we dat een volmaakt wijs, goed en machtig wezen het ooit beter zal gaan doen dan hij tot nu toe heeft gedaan, en nog steeds doet? De wereld is vervuld van onvolmaaktheid. Als die wereld gemaakt is door een oneindig wezen, welke reden hebben we dan om aan te nemen dat hij die verder vervolmaken zal dan hij nu is? Als de oneindige 'Vader' toestaat dat de meerderheid van zijn kinderen nu nog in onwetendheid en ellende leven, welk bewijs is er dan voor dat hij hun omstandigheden ooit zal verbeteren? Zal God meer macht krijgen? Zal hij genadiger worden? Zal zijn liefde voor arme schepselen vermeerderen? Kan het gedrag van oneindige wijsheid, macht en liefde ooit veranderen? Is de oneindige in staat tot enige verbetering van zijn gedrag?

 De geestelijkheid houdt ons voor dat deze wereld een soort school is; dat al het kwaad waardoor we omringd zijn tot doel heeft onze ziel te ontwikkelen, en dat alleen door lijden de mens zuiver, deugdzaam en sterk kan worden.

 Als we zouden aannemen dat dit waar is, wat moet er dan terecht komen van allen die in hun kinderjaren sterven? Volgens deze filosofie kunnen deze kinderen nooit verder ontwikkelen. Zij waren zo ongelukkig aan de verheffende invloed van pijn en ellende te ontsnappen, en als gevolg worden ze veroordeeld tot een eeuwigheid van mentale minderwaardigheid. Als de geestelijkheid het bij het rechte eind heeft in deze kwestie, is niemand zo onfortuinlijk als de gelukkige mens, en moeten we jaloers zijn op de lijdende en ongelukkige. Als het kwaad noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de mens, in dit leven, hoe is het dan voor de kinderziel mogelijk zich nog te verbeteren in de volmaakte vreugde van het Paradijs?

 Sinds Paley zijn horloge gevonden heeft, heeft men er op vertrouwd dat het 'argument van design' waterdicht was. De kerk leert dat deze wereld, en alles dat zich daarop bevindt, grotendeels geschapen was zoals we die nu zien; dat de grassen, de bloemen, de bomen, en alle dieren, inclusief de mens, goddelijke scheppingen waren, en dat ze geen noodzakelijke relatie tot elkaar onderhouden. Zelfs de meest orthodoxen erkennen nog wel dat een beetje aarde in de zee is gespoeld, dat de zee een beetje het land is binnen gedrongen, en dat sommige bergen nu een klein beetje lager zijn dan op de ochtend van de schepping. De theorie van geleidelijke ontwikkeling was onbekend bij onze vaders; het idee van evolutie kwam niet bij ze op. Onze vaders beschouwden de schikking van dingen zoals ze toen waren als de oorspronkelijke schikking. De aarde kwam ze voor als nieuw uit de handen van een godheid. Ze wisten niets van de langzame evolutie over talloze eeuwen, maar veronderstelden dat de haast eindeloze variëteit van plantaardige en dierlijke levensvormen vanaf het begin zo hadden bestaan.

 Stel u eens voor dat we op een eiland een mens zouden vinden van een miljoen jaren oud, en stel u dan voor dat we ontdekken dat hij een hele mooie koets bezit, gemaakt volgens een volmaakt model. En stel u verder eens voor, dat hij ons vertellen zou dat dit het resultaat was van verscheidene honderdduizenden jaren arbeid en ontwerp; dat voor vijftigduizend jaar hij gebruik had gemaakt van de meest rechte boomstam die hij kon vinden, voordat het idee bij hem opkwam dat door het splijten van de stam hij hetzelfde oppervlak had met maar de helft van het gewicht; dat het hem nog duizenden jaren had gekost om wielen voor zijn boomstam uit te vinden; dat de wielen die hij eerst gebruikte nog massief waren, en dat vijftigduizend jaar van nadenken het idee van spaken en velgen opleverde; dat hij voor vele eeuwen het wiel gebruikte zonder spie; dat het nog eens honderdduizend jaar nam voordat hij op het idee kwam vier wielen te gebruiken in plaats van twee; dat hij voor eeuwen achter de wagen had gelopen wanneer ze een heuvel af reden, om die af te remmen, en dat het alleen door een gelukkig toeval was dat hij de dissel uitvond; zouden we hieruit de conclusie trekken dat de man, vanaf het allereerste begin, een oneindig knappe ingenieur en begaafde monteur was geweest? Veronderstel dat we ontdekten dat hij in een elegant landhuis woonde, en dat hij ons zou vertellen dat hij vijfhonderdduizend jaar in dat huis gewoond had voordat hij op het idee kwam er een dak op te plaatsen, en dat hij nog maar kort geleden ramen en deuren had uitgevonden; zouden we dan zeggen dat hij vanaf het begin een oneindig begaafde en wetenschappelijke architect zou zijn geweest?

 Toont een verbetering in geschapen dingen niet een overeenkomstige verbetering van de schepper aan?

 Zou een oneindig wijze, goede en machtige God, met het voornemen de mens te maken, beginnen met de laagst mogelijke vormen van leven; met het eenvoudigste organisme dat men zich kan voorstellen, en gedurende onmeetbare perioden van tijd, langzaam en haast onmerkbaar het primitieve begin verbeteren, totdat het zich tot mens ontwikkeld had? Zouden talloze eeuwen op die manier verkwist zijn met het maken van onhandige vormen die later weer opgegeven moesten worden? Kan menselijke intelligentie een greintje wijsheid ontdekken in het bevolken van de aarde met kruipende, sluipende verschrikkingen die allen leven van de pijn en doodsstrijd van anderen? Kunnen we de juistheid zien van het zodanig inrichten van de aarde dat slecht een onbeduidend deel van zijn oppervlakte geschikt is voor het produceren van intelligente mensen? Wie kan de barmhartigheid waarderen van een wereld die zo gemaakt is dat dieren andere dieren opeten; zodat iedere mond een slachtplaats is, en iedere maag een graf? Is het mogelijk oneindige intelligentie en liefde te ontdekken in eeuwigdurende slachting?

 Wat zouden we van een vader denken die een boerderij aan zijn kinderen zou schenken, maar voordat ze die in eigendom kregen, er duizenden dodelijke struiken zou planten; die zou bevolken met bloeddorstige beesten en giftige reptielen; de moeite zou nemen een aantal moerassen in de buurt aan te leggen om malaria te verspreiden; die de zaken zo zou regelen dat de aarde zich bij tijd en wijle zou openen om een aantal van zijn geliefden op te slokken, en bovendien een paar vulkanen in de onmiddellijke nabijheid zou oprichten, zodat op ieder moment een rivier van vuur zijn kinderen kon overspoelen? Veronderstel dat die vader zijn kinderen niet zou vertellen welke planten dodelijk waren; dat de reptielen giftig waren; niets vertelde over de aardbevingen, en de geschiedenis van die vulkanen zorgvuldig geheim hield; zouden we die een engel of een doortrapte schoft noemen? 

 En toch is dat precies wat de orthodoxe God gedaan heeft.

 Volgens de theologen, heeft God deze aardbol speciaal voor bewoning door zijn geliefde kinderen ingericht, en toch vulde hij de wouden met bloeddorstige dieren; plaatste hij gifslangen op ieder pad; vervulde hij de wereld van aardbevingen, en tooide hij haar oppervlakte met vurige bergen.

 Niettegenstaande dit alles, wordt ons verteld dat de wereld volmaakt is; dat die geschapen werd door een volmaakt wezen, en dat die wereld daarom vanzelfsprekend volmaakt is. Het volgende moment zullen dezelfde personen ons vertellen dat de wereld vervloekt is; bedekt met braamstruiken, distels en doornen, en dat de mens gedoemd is tot ziekte en dood, eenvoudig omdat onze arme, lieve moeder Eva een appel op at, tegen het bevel van een grillige God.

 Een zeer vrome vriend van mij, die gehoord had dat ik gezegd had dat de wereld vol onvolkomenheden is, vroeg mij of dat rapport juist was. Toen dat bevestigd werd, sprak hij zijn verwondering er over uit dat iemand schuldig kon zijn aan zulke aanmatiging. Hij zei, dat naar zijn oordeel, het onmogelijk zou zijn een onvolkomenheid aan te duiden. 'Wees eens zo goed,' zei hij, 'om aan te geven welke verbetering je zou maken, als je de macht daartoe zou hebben.' 'Wel,' zei ik, 'ik zou een goede gezondheid besmettelijk maken, in plaats van ziektes.' De waarheid is, dat het onmogelijk is alle ziektes, alle pijnen, al het lijden in de wereld in overeenstemming te brengen met het idee dat we geschapen werden, en bewaakt en beschermd worden door een oneindig wijze, machtige en goedgunstige God, die boven de natuur staat en daar onafhankelijk van is.

 De geestelijkheid echter, zetten al het werkelijke lijden in deze wereld af tegen de verwachte vreugde van de volgende. We worden ervan verzekerd dat er volmaaktheid is in de hemel, dat de luchten er wolkeloos zijn — dat daar sereniteit en vrede heersen. Hier kunnen keizerrijken omver geworpen worden; dynastieën kunnen in bloed gesmoord worden; miljoenen slaven kunnen zwoegen onder de felle stralen van de zon, en de wrede slagen van de zweep; maar boven in de hemel bestaat er niets dan geluk. Pestilentie kan de aarde bezaaien met de lijken van geliefden; de overlevenden kunnen zich in ondraaglijke smart over hen buigen — maar de kalme boezem van de hemel blijft onverstoord. Kinderen kunnen sterven terwijl ze vergeefs om brood smeken; kleine kinderen kunnen ten prooi vallen aan gifslangen, terwijl de goden glimlachend in de wolken vertoeven. De onschuldige kan tot de dood weg teren in obscure kerkers; moedige mannen en heroïsche vrouwen kunnen tot as verbrand worden op de brandstapels van de schijnheilige, terwijl de hemel vervuld is van gezang en vreugde.

 Buiten op de wijde zee, in duisternis en storm, worstelen schipbreukelingen in de wrede golven terwijl de engelen op hun gouden harpen spelen. De straten van de wereld zijn vol met zieken, misvormden en hulpelozen; martelkamers vullen zich met de bleke vormen van de lijdenden, terwijl de engelen zweven en jubelen in het koninkrijk van de dag. In de hemel zijn ze te gelukkig om sympathie te voelen; te druk met gezang en gejubel om de smekenden en ongelukkigen te helpen. Hun ogen zijn verblind; hun oren zijn dichtgestopt en hun harten versteend door de oneindige zelfzucht van hun plezier. De geredde zeeman is te gelukkig als hij de kust bereikt om aan zijn verdrinkende broeders te denken. Met de onverschilligheid van geluk, met de verachting van gelukzaligheid, gunt de hemel de ellende op aarde nauwelijks een blik. Steden worden verzengt door de aanstormende lava; de aarde opent zich en verzwelgt duizenden; vrouwen heffen hun handen gevouwen ten hemel, maar de goden zijn te gelukkig om hun kinderen te helpen. De glimlach van de godheden is onbekend met de tranen van de mens. Het gejubel in de hemel overstemt het gesnik op aarde.

 Aangetoond hebbende hoe de mens goden geschapen heeft, en hoe hij de bevende slaaf werd van zijn eigen schepping, rijst natuurlijk de vraag: Hoe kon hij zich, al was het maar een klein beetje, bevrijden van deze heersers in de hemel, van deze despoten van de wolken, van deze aristocraten van de lucht? Hoe kon hij, al was het maar een klein beetje, uitgroeien boven zijn door onwetendheid ingegeven, afschuwelijke vrees en het juk van bijgeloof van zich afwerpen?

 De ontdekking van orde, van regelmaat, van periodiciteit in het universum, was waarschijnlijk het eerste dat aanleiding gaf tot de ontwarring van zijn geest. Hierdoor begon hij te vermoeden dat niet alles alleen in betrekking tot de mens gebeurde. Hij bemerkte dat wat hij ook deed, de bewegingen van de planeten altijd dezelfde bleven; dat eclipsen periodiek optraden, en dat zelfs kometen met bepaalde tussenpozen kwamen. Dit overtuigde hem ervan dat eclipsen en kometen niets met hem te doen hadden, en dat zijn gedrag niets met hen te maken had. Hij nam waar dat ze niet voor zijn voor- of nadeel veroorzaakt werden. Op die manier leerde hij ze met bewondering waar te nemen, in plaats van met angst. Hij begon te vermoeden dat hongersnood niet gestuurd werd door een verontwaardigde en wraakzuchtige godheid, maar vaak het resultaat was van verwaarlozing en onwetendheid van de mens. Hij vond uit dat ziekten niet door boze geesten werden gebracht. Hij ontdekte dat ziekte teweeg gebracht werd door natuurlijke oorzaken, en met natuurlijke middelen genezen kon worden. Hij toonde aan, tenminste tot zijn eigen bevrediging, dat gebed geen medicijn is. Door schade en schande ontdekte hij dat voor goden geen praktisch nut bestond, daar zij hem nimmer hielpen, behalve als hij perfect in staat was om voor zichzelf te zorgen. 

 Tenslotte begon hij te ontdekken dat zijn individuele acties in het geheel niets te doen hadden met vreemde verschijningen in de lucht; dat het hem onmogelijk was om slecht genoeg te zijn om een wervelwind te veroorzaken, of goed genoeg om er een te stoppen. Na vele eeuwen van nadenken, kwam hij half en half tot de conclusie dat het tegenspreken van een priester niet noodzakelijk een aardbeving veroorzaakte. Hij bemerkte, en ongetwijfeld met aanzienlijke verbazing, dat hele goede mensen soms door bliksem werden getroffen, terwijl hele slechte ontkwamen. Hij werd vaak tot de pijnlijke conclusie gedwongen (en dat is de meest pijnlijke waartoe een mens kan worden gedwongen) dat de rechtvaardigen niet altijd zegevierden. Hij merkte dat de goden niet tussenbeide kwamen namens de zwakken en onschuldigen. Nu en dan was hij verbaasd een ongelovige te zien die een meest excellente gezondheid genoot. Tenslotte stelde hij vast dat er geen mogelijk verband kon zijn tussen een ongebruikelijk strenge winter en het nalaten om een schaap aan de priester te schenken. Hij begon te vermoeden dat de regelmaat van het universum niet voortdurend gewijzigd werd om hem te helpen, enkel omdat hij een geloofsbelijdenis herhaald had. Het viel hem op dat kinderen die normaal gedoopt waren, gingen stelen. Hij merkte een groot verschil tussen religie en rechtvaardigheid, en dat vereerders van dezelfde god ervan genoten elkaar de keel af te snijden. Hij zag hoe religieuze disputen de wereld vulden met haat en slavernij. Tenslotte vond hij de moed om te vermoeden, dat geen god op enig moment kon ingrijpen in de volgorde van gebeurtenissen. Hij ontdekte een paar feiten, en deze feiten weigerden resoluut overeen te komen met het onwetende bijgeloof van zijn vaderen. Inziende dat zijn heilige boeken in bepaalde opzichten incorrect en fout waren, begon zijn vertrouwen in hun authenticiteit te wankelen; ontdekkend dat zijn priesters op veel punten onwetend waren, begon hij respect te verliezen voor hun habijt. Dit was de aanvang van intellectuele vrijheid. 

 De beschaving van de mens is evenveel toegenomen als religieuze macht is afgenomen. De intellectuele vooruitgang van de mens hangt af van het aantal malen dat hij een oud bijgeloof kan inruilen voor een nieuwe waarheid. De kerk heeft de mens nog nooit toegestaan zelfs maar een van deze uitwisselingen te maken; integendeel, al haar macht is altijd aangewend om die te voorkomen. Ondanks de kerk echter, heeft de mens ontdekt dat sommige van zijn religieuze voorstellingen verkeerd waren. Door het lezen van zijn Bijbel, constateerde hij dat de denkbeelden van God nog wreder en bruter waren dan die van de meest verdorven wilde. Hij ontdekte ook dat dit heilige boek veel onwetendheid bevat, en dat het geschreven moest zijn door personen die totaal onbekend waren met de aard van de fenomenen waarmee we omringd zijn; en nu en dan had een mens de rechtschapenheid en de moed om zijn gedachten eerlijk uit te spreken. In iedere tijd heeft wel een denker, een twijfelaar, een onderzoeker, iemand die hypocrisie verafschuwde, een hater van verlakkerij, een moedige liefhebber van het juiste, blijmoedig, trots en heroïsch de onwetende woede van bijgeloof getrotseerd voor het goed van de mens en de waarheid. Deze goddelijke mensen werden vaak in stukken gescheurd door de vereerders van goden. Socrates werd vergiftigd omdat het hem aan eerbied voor sommige goden ontbrak. Christus werd door een religieus gepeupel gekruisigd voor de misdaad van blasfemie. Niets is meer bevredigend voor de strikt gelovige dan zijn vijanden te vernietigen op last van God. Religieuze vervolging wordt geboren uit een verplicht mengsel van liefde voor God en haat voor de mens.

 De verschrikkelijke religieuze oorlogen die deze wereld onder het bloed zetten, zorgden er tenminste voor dat alle religie te schande werd gemaakt en gehaat. Bedachtzame mensen begonnen de goddelijke oorsprong te betwijfelen van een religie waarvan de gelovigen het recht van anderen totaal verachtten. Sommigen begonnen het christendom te vergelijken met de religies van heidense volken, en kwamen tot de onvermijdelijke conclusie dat het verschil het nauwelijks waard was om voor te sterven. Ze ontdekten ook dat andere naties zelfs gelukkiger en voorspoediger waren dan hun eigen. Ze begonnen te vermoeden dat hun religie uiteindelijk van weinig waarde was.

 Driehonderd jaren lang heeft de christelijke wereld geprobeerd het lege graf van Christus van de 'heidenen' te bevrijden. Driehonderd jaren lang werden de legers van het kruis verbaasd en verslagen door de zegevierende gastheren van een onbeschaamde bedrieger. Dit immense feit zaaide het zaad van wantrouwen door het hele christendom, en miljoenen begonnen hun vertrouwen te verliezen in een God die door Mohammed overwonnen was. De volken ontdekten ook dat handel vrienden maakte waar religie vijanden maakte, en dat religieuze ijver totaal onverenigbaar was met vrede tussen naties en individuen. Ze ontdekten dat degenen die de goden het meest lief hadden, geneigd waren de mens het minst lief te hebben, en dat de arrogantie van universele vergeving verbijsterend was; dat de meest kwaadwilligen de onbeschaamdheid hadden voor hun vijanden te bidden, en dat tirannie en nederigheid vruchten van een en dezelfde boom waren.

 Eeuwenlang heeft een dodelijk conflict gewoed tussen enkele moedige, denkende, geniale mannen en vrouwen aan de ene kant, en de grote onwetende, religieuze massa aan de andere kant. Dit is de oorlog tussen Wetenschap en Geloof. Die enkelingen hebben een beroep gedaan op rede, op eer, op de wet, op vrijheid, op het bekende, en op geluk hier op deze wereld. De massa heeft zich beroepen op vooroordeel, op vrees, op wonderen, op slavernij, op het onbekende, en op ellende in het hiernamaals. De enkelen hebben geroepen: 'Denk! De massa heeft geroepen: '' Geloof!'

 Die eerste twijfel werd de baarmoeder en de wieg van de vooruitgang, en vanaf die eerste twijfel is de mens steeds verder gevorderd in zijn vooruitgang. De mensen begonnen te onderzoeken, en de kerk begon weerstand te bieden. De astronoom speurde de hemel af, terwijl de kerk zijn grootse voorhoofd brandmerkte met het woord 'Ongelovige', en nu is er niet een glinsterende ster in die hele weidse ruimte die een christelijke naam draagt. Ondanks alle religie, drongen geologen tot diep in de aarde door, en lazen haar geschiedenis af uit de boeken van steen, en vonden daar, verborgen in haar boezem, souvenirs uit alle tijden. Oude denkbeelden kwamen om in de reageerbuis van de scheikundige, en werden vervangen door nuttige waarheden. Een voor een werden de voorstellingen van religie in de smeltkroes van de wetenschap geplaatst, en tot dusver, werd niets dan verontreinigingen gevonden. Door de microscoop werd een nieuwe wereld ontdekt; en overal werd het oneindige gevonden; de mens heeft in alle richtingen verkend en onderzocht, en nergens, op aarde of in de sterren, heeft hij een voetspoor gevonden van enig wezen dat boven de natuur staat of daar onafhankelijk van is. Nergens is ook maar het geringste bewijs gevonden voor een bemoeienis van buitenaf.

 Dit zijn de sublieme waarheden die de mens in staat hebben gesteld het juk van bijgeloof van zich af te werpen. Dit zijn de schitterende feiten die de scepter van autoriteit uit de handen van priesters hebben geslagen.

 Op die enorme begraafplaats die verleden wordt genoemd, liggen de meeste religies van de mens begraven, en ook bijna al zijn goden. De heilige tempels van India vervielen lang geleden tot bouwvallen Over hun kolommen en kroonlijsten, over hun beschilderde wanden kruipen en hechten de hangende ranken. Brahma, de gouden, met vier hoofden en vier armen; Vishnu, de sombere, bestraffer van de slechten, met zijn drie ogen, zijn sikkel en zijn halsband van schedels; Siva, de vernietiger, rood van bloed; Kali, de godin; Draupadi, de blankarmige, en Chrishna, de Christus, ze zijn allen gestorven en hebben hun troon in de hemel leeg achtergelaten. Isis zwerft niet langer wenend langs de oevers van de heilige Nijl, zoekend naar de dode Osiris. De frons van Typhon werpt zijn schaduw niet meer over de golven. De zon rijst nog als vanouds, en zijn gouden stralen treffen nog steeds de lippen van Memnon, maar Memnon is net zo zwijgend als de Sfinx. De heilige tempels zijn verloren gegaan in het zand van de woestijn; de stoffige mummies wachten nog steeds op de wederopstanding die ze door de priesters was beloofd, en de oude geloven, vormgegeven in merkwaardig gebeitelde steen, slapen in het mysterie van een verloren dode taal. Odin, de auteur van leven en ziel, Vili en Ye, en de machtige reus Ymir schreden al lang geleden uit de ijzige hallen van het noorden; en Thor, met ijzeren handschoen en glanzende hamer werpt geen bergen meer ter aarde neer; de cirkels en cromlechs van de oude Druïden zijn verbroken; de heilige cairns zijn uiteengevallen op de toppen van de heuvels, en het mos van eeuwen bedekt ze. De heilige vuren van Perzië, en van de Azteken, zijn gedoofd in de as van het verleden, en er is niemand meer om ze aan te wakkeren, niemand meer om de heilige vlam te voeden. De harp van Orpheüs is stil; de geledigde bokaal van Bacchus terzijde geworpen; Venus ligt dood in steen, en haar blanke boezem zucht niet meer met liefde. De stromen ruisen nog, maar er baden geen Najaden meer in; de bomen wiegen nog, maar in de lanen van het woud dansen geen Dryaden meer. De goden zijn de Olympus ontvlucht. Zelfs de beeldschone vrouwen kunnen hen niet meer terug lokken, en Danae ligt onopgemerkt, naakt voor de sterren. De donder van de Sinaï is voor eeuwig het zwijgen opgelegd; de stemmen van de profeten zijn verloren gegaan, en het land dat ooit overvloeide van melk en honing, is slechts een verloren woestijn. Een voor een zijn de mythen in de wolken verbleekt; een voor een hebben feiten, waarheden en realiteit hun plaatsen ingenomen. Het bovennatuurlijke is bijna verdwenen, maar het natuurlijke is er nog steeds. De goden zijn gevlucht, maar de mens is hier.

 Naties, net als individuen, hebben hun perioden van jeugd, van volwassenheid, van verval. Religies zijn precies zo. Hen wacht hetzelfde onverbiddelijke noodlot. De goden die door naties geschapen werden, moeten vergaan met hun scheppers. Ze werden door mensen geschapen, en als mensen moeten ze sterven. De godheden van een tijdperk zijn de gezegden van het volgende. De religie van onze tijd, en land, is evenmin gevrijwaard van die minachting door de toekomst, als al die anderen zijn geweest. Toen India nog heerste, zat Brahma op de troon van de wereld. Toen de scepter werd doorgegeven aan Egypte, ontvingen Isis en Osiris het eerbetoon van de mensheid. Griekenland, met haar felle moed, veroverde een keizerrijk, en Zeus tooide zich in het purperen kleed van autoriteit. De aarde beefde onder de voetstappen van de onversaagde zonen van Rome, en Jupiter greep met gepantserde hand de bliksemschichten van de hemel. Rome viel, en de christenen van haar grondgebied, met het rode zwaard van oorlog, bepaalden de heersende naties van de wereld, en nu zit Christus op de oude troon. Wie zal zijn opvolger zijn?

 Dag bij dag, worden religieuze concepties minder en minder intens. Dag bij dag, sterft de vurige geest van boeken en belijdenissen uit. Het vurig enthousiasme, het onblusbare vuur van de vroege kerk is voorbij om nooit, nooit meer terug te keren. De ceremonie is gebleven, maar het antieke geloof verwelkt in het menselijk hart. De versleten argumenten falen te overtuigen, en veroordelingen door de kerk die eens hele naties deden verbleken, roepen nu niet meer op dan spot en minachting. Naarmate de tijd verloopt, worden de wonderen kleiner en armzaliger, en bewijzen die onze voorvaderen nog als doorslaggevend aanvaardden, slagen er absoluut niet meer in om ons te overtuigen. Er bestaat een niet te onderdrukken conflict tussen religie en wetenschap, zij kunnen niet in vrede samenleven in dezelfde geest, noch in dezelfde wereld.

 Met een definitieve afwijzing van alle geloven, en de waarheid ontkennende van alle religie, is er in mijn hart noch op mijn lippen een schimpscheut voor de hoopvolle, liefhebbende en zachtaardige zielen die geloven dat uit al deze wanklanken ooit perfecte harmonie kan ontstaan; dat ieder kwaad op mysterieuze wijze goed kan worden, en dat er boven alles en over alles dat bestaat een wezen is dat op een of andere manier, ieder mensenkind tot zich terug zal nemen en verheerlijken. Maar voor al diegenen die harteloos proberen te bewijzen dat redding haast onmogelijk is; dat verdoeming haast zeker is; dat de brede weg door het universum naar de hel leidt; die het leven vervullen van vrees, en de dood met verschrikking; die de wieg vervloeken en met de baarmoeder spotten, is het onmogelijk iets anders te voelen dan medelijden, afwijzing en verachting.

 Rede, Waarneming en Ervaring — de Heilige Drie-eenheid van Wetenschap — hebben ons geleerd dat geluk het ware is; dat de tijd om gelukkig te zijn nu is, en dat de manier om gelukkig te worden het gelukkig maken van anderen is. Dit is voor ons genoeg. We zijn tevreden in dit geloof te leven en te sterven. Als zich ooit enige gelegenheid zou voordoen om het bestaan van een bovennatuurlijke macht, onafhankelijk van die natuur, aan te tonen, dan zullen we nog tijd genoeg hebben om te knielen. Laat ons, tot dan, fier overeind staan.

 Ondanks het feit dat in alle tijden ongelovigen voor de mensenrechten gestreden hebben, en dat er in alle tijden onbevreesde advocaten voor vrijheid en rechtvaardigheid zijn opgestaan, worden we door de kerk er nog voortdurend van beschuldigd af te breken zonder op te bouwen. De kerk behoort nu onderhand te weten dat het totaal onmogelijk is de mens van zijn meningen te beroven. De geschiedenis van religieuze vervolging heeft het feit overtuigend bewezen dat de geest iedere poging om door geweld te overtuigd te worden, afgewezen en weerstaan heeft. Vanzelfsprekend houdt de geest vast aan oude denkbeelden, totdat ze open staat voor het nieuwe. Het moment waarop de waarheid tot ons doordringt, worden alle onjuiste denkbeelden als vanzelf terzijde geschoven.

 Een dokter bezocht eens een kreupele en bood hem vriendelijk alle hulp aan waartoe hij in staat was. De dokter begon op geleerde wijze de aard en oorsprong van de aandoening uiteen te zetten; hij sprak over de genezende eigenschappen van bepaalde medicijnen; over de voordelen van oefening, licht en lucht, en over de verscheidene wijzen waarop gezondheid en kracht hersteld konden worden. Deze opmerkingen waren zo vol goede bedoelingen, en toonden zoveel denkwerk en nauwgezette kennis aan, dat de kreupele, nu helemaal verontrust, uitriep: 'Alstublieft, ik smeek het u, neem me mijn krukken niet af. Ze zijn mijn enige steun, en zonder ze zou ik erg ongelukkig zijn!' De dokter antwoordde: 'Ik ga u uw krukken niet afnemen. Ik ga u genezen, en dan zult u ze zelf weggooien.'

 De ongelovigen stellen voor de grillen van de hemel te vervangen door de realiteit van de aarde; in plaats van bijgeloof, de prachtige bewijzen en successen van de wetenschap; in plaats van theologische tirannie, de ontketende vrijheid van gedachten.

 We beweren niet alles al ontdekt te hebben, of dat onze leerstukken de absolute waarheid zijn. We weten niet of er een einde komt aan de ontwikkeling van de mens. We kunnen de oneindige gecompliceerdheid van materie en energie niet ontrafelen. De geschiedenis van een monade is even onbekend als die van het universum; een druppel water is even prachtig als alle oceanen; een blad als alle wouden; en een korrel zand als alle sterren.

 We gaan niet proberen de toekomst vast te leggen, maar het heden te bevrijden. We smeden geen boeien voor ons nageslacht, maar verbreken die welke onze vaderen ons opgelegd hebben. We zijn de verdedigers van nieuwsgierigheid, van onderzoek en van nadenken. Dit op zich zelf al, is een erkenning dat we niet helemaal tevreden zijn met al onze conclusies. Filosofie bezit niet het egocentrisme van geloof. Terwijl bijgeloof scheidsmuren opbouwt en belemmeringen opwerpt, opent wetenschap de weg naar gedachten. We pretenderen niet dat we alles verkend hebben, en alle problemen hebben opgelost, maar we geloven dat het beter is de mens lief te hebben dan de goden te vrezen; dat het grootser en nobeler is voor jezelf te denken dan een geloofsbelijdenis te herhalen. We zijn ervan overtuigd dat er maar weinig vrijheid op aarde kan zijn, zolang de mens een tiran in de hemel aanbidt. We verwachten niet alles in een dag te kunnen bereiken; maar we willen dat goede doen wat we kunnen doen, en alle mogelijke dienst bewijzen aan de heilige zaak van menselijke vooruitgang. We weten dat de afschaffing van goden en bovennatuurlijke personen en machten niet een doel is. Het is een middel tot een doel: het ware doel is het geluk van de mensheid.

 Het kappen van bossen is niet het doel van landbouw. Piraten van de zee verdrijven is niet alles wat handel inhoudt.

 Wij leggen de fundering voor de grote tempel van de toekomst; niet de tempel van alle goden, maar van alle mensen — waarin, met toepasselijk ritueel, de religie van de mensheid gevierd zal worden. We doen het weinige dat we kunnen om de dag naderbij te brengen waarop de gemeenschap zal eindigen miljonairs en bedelaars voort te brengen — volgepropte luiheid en verhongerde ijver — waarheid in lompen, en bijgeloof met hermelijn bekleed en gekroond. We verlangen naar de tijd wanneer het nuttige het eervolle zal zijn; en wanneer Rede, getroond op het brein van de wereld, de Koning van Koningen zal zijn, en de God van alle Goden.

_____


Bron: http://www.infidels.org/library/historical/robert_ingersoll/gods.html

BAADE022-0571-424E-A133-C5A92933C418
_________________________________________________________________________________________________

Zie ook:

      

Meer van deze auteur:

   ➤ 'De Bijbel als morele gids?'

   ➤ 'De eed van Ingersoll'

   ➤ 'Over de Heilige Schrift'


Alle vertalingen van artikelen © 2005-2010 Peter van Montfoort