Click here for this text in English on the Secular Web
De rivaliteit tussen religies is komt tot uitdrukking op een aantal fronten: in de strijd tussen christenen, moslims en hindoes; in sektarisch geweld tussen katholieken en protestanten, of tussen sjiieten en soennieten; in de vervolging van doctrinair afvalligen; in de afsplitsing van nieuwe sekten langs doctrinaire grenzen; in pogingen tot bekering; enzovoort.
Waardoor wordt deze rivaliteit gedreven? Sociale, politieke, economische en andere factoren kunnen hierin een rol spelen. Maar er ligt vooral een heel ander en dieper soort rivaliteit aan ten grondslag. Het is de logische rivaliteit, de logische onverenigbaarheid die bestaat tussen de doctrines die ieder van deze religies definiëren. Die stelt iedere aspirant spirituele pelgrim voor enorme problemen, in zijn zoeken naar religieuze waarheid.
1. Hoe moet men kiezen tussen de verschillende religies?
Al direct vanaf het begin wordt men geconfronteerd met enorm aantal mogelijke kandidaten om in te geloven. Op welke religie kan men zijn vertrouwen vestigen? Waaraan moet men zijn leven wijden, niet alleen in het hier en nu, maar misschien ook in het hiernamaals? Het christendom, het jodendom, de islam, het boeddhisme, het hindoeïsme, het confucianisme, of misschien het taoïsme?
Maar daar eindigt de lijst van mogelijkheden natuurlijk niet mee. Religies zonder scheuringen en afgescheiden sekten bestaan niet. Bepaal u op een grote religie — het christendom, bijvoorbeeld — en dan blijft de vraag weer over: welke versie? Rooms-katholiek, Grieks-orthodox, Russisch orthodox, of protestant? Stel dat u kiest voor het protestantisme. Dan komt de volgende vraag op: Accepteert u het evangelie volgens de anglicanen, de unitariërs, de methodisten, de presbyterianen, de baptisten, of de pinksterbeweging? Moet u de “waarheid” omarmen zoals die verkocht wordt door gebedsgenezers als Peter Popoff, wiens “berichten van de engelen” ontmaskerd werden als stiekeme radioberichten die vanuit een caravan naar een miniatuur hoorapparaat in zijn linker oor werden gezonden, of de waarheid zoals die wordt verspreid door Witte Huis evangelisten als Franklin Graham, zoon van Billy Graham?
(Franklin Graham bracht de doctrinaire oorzaak voor de neo-conservatieve oorlog in Irak duidelijk aan het licht toen hij beweerde: “We vallen de islam niet aan, maar de islam heeft ons aangevallen. De God van de islam is niet dezelfde God. Hij is niet de Zoon van God van het christelijke of joods-christelijke geloof. Het is een andere God, en ik geloof dat het een heel boosaardige en verdorven religie is.” Op gelijke wijze pochte luitenant-generaal William “Jerry” Boykin over zijn overwinning op een Somalisch krijgsheer, “Ik wist dat mijn God groter dan de zijne was. Ik wist dat mijn God een echte god was, en de zijne een afgod.”)
Noch kunnen we de minder wijdverbreide religies negeren, zoals Baha’i, Theosofie, Jehova’s Getuigen, of de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der laatste dagen. Of de jongere, eerste-generatie religies als de Unification Church, Scientology, de Divine Light Mission, Hare Krishna, de Urantia Foundation en de Rajneesh Foundation. Alleen al in Noord-Amerika zijn momenteel meer dan 500 sektes actief. Waarom zou een of ander van hen de waarheid niet in pacht kunnen hebben?
Of waarom zou die niet bij een van de oudere, nu vergeten, religies kunnen liggen? H.L. Mencken’s essay “Memorial Service” [1] geeft een lijst van 138 goden, waarvan ieder:
“van het hoogste aanzien en waardigheid was ... waarin geloofd werd en die vereerd werd door miljoenen.”
Hij wijst er op dat zij allen:
“theoretisch almachtig, alwetend en onsterfelijk waren. En allen zijn dood.”
Toch hadden deze goden, en de religies die in hun naam opgezet werden, eens grote invloed op de levens van hun vereerders, die daarmee hun wat Bertrand Russell noemde “wrede dorst voor verering” bevredigden. [2] Ze waren goden die in staat waren devotie en offerandes op te roepen; goden in wiens naam tempels werden gebouwd, afvalligen werden vervolgd en oorlogen gestreden. Hoe kunnen we er zeker van zijn dat niet een van deze goden zal terugkeren om zichzelf te openbaren als de enige ware god?
Kan iemand met gerechtvaardigd vertrouwen veronderstellen, alleen door omstandigheden van geboorte, opvoeding of latere inzichten, op unieke wijze bevoorrecht te zijn? En daardoor het juiste inzicht te hebben verworven om te bepalen wie van deze goden werkelijk bestaat? Of dat zelfs maar één van hen zou bestaan?
Voor degenen die door traditie gebonden zijn, of op andere wijze door oogkleppen in hun geloof beschermd worden, wordt die vraag eenvoudig beantwoord: Raak niet verstrikt in wat de negentiende-eeuwse Amerikaanse filosoof William James noemde “de in zichzelf vastlopende logiciteit” bij het proberen een keus te maken tussen rivaliserende opties. Beschouw alleen die religie die reeds uw levenskeus is — de religie van uw vaderen, of van uw gelijken — en wed uw leven op de mogelijkheid dat dit de ware zal blijken te zijn. Anders, zo stelt James, zou men de enige kans in het leven kunnen verspelen om “aan de winnende zijde te komen”. [3]
Maar welke zijde zal gaan winnen? Hoe kan iemand zijn weddenschap zorgvuldig plaatsen, voordat de kwalificaties van de concurrerende kandidaten nauwkeurig bestudeerd zijn — en dan niet alleen die van de favorieten, maar ook die van de minder bekende? [4] Trouwens, hoe kan men er zeker van zijn dat niet alle kandidaten, en de competitie zelf, bedrog zijn?
De in zichzelf vastlopende logiciteit kan niet zo gemakkelijk worden genegeerd.
2. Wedden op de goden: Pascal’s weddenschap

Hoewel het idee om over zaken van religieus geloof te wedden is ontstaan onder islamitische denkers, werd het op de meest overtuigende wijze gepresenteerd door de grondlegger van de kansberekening, de zeventiende-eeuwse Franse wiskundige Blaise Pascal. In een argument dat later bekend zou worden als “Pascal’s weddenschap”, redeneert Pascal zo: Als we ons leven wedden op de hypothese dat God bestaat en dit blijkt waar te zijn, dan winnen we en worden beloond met eeuwige gelukzaligheid; terwijl als het onjuist zou zijn, we de weddenschap verliezen, maar meer ook niet. Als we, aan de andere kant, ons leven wedden op de hypothese dat zo’n God niet bestaat, dan hebben we weinig te winnen als we gelijk hebben, maar zullen we eeuwige kwelling ondergaan als we het verkeerd hebben. In zijn woorden: “Laten we winst en verlies afwegen als we wedden of God bestaat. Laten we die twee kansen inschatten. Als je wint, win je alles; als je verliest, verlies je niets. Wed daarom, zonder aarzeling, dat Hij bestaat.” [5] De “Hij” waarnaar Pascal refereerde was, niet verrassend, de God van de rooms-katholieken, niet die van de protestanten.
Het grootste probleem met Pascal’s argument is dat dit aanneemt dat er maar één religie in aanmerking komt. Hij zou ons willen laten wedden op maar “twee” mogelijkheden, twee contradictorische overtuigingen, overtuigingen die elkaar wederzijds uitsluiten en waarmee alle mogelijkheden uitgeput zijn: in de God van het rooms-katholicisme te geloven, of niet in die God te geloven.
Maar zijn redenatie (en die van James, op gelijke wijze) blijft ernstig in gebreke. Er zijn niet slechts twee mogelijkheden — twee alternatieven, waarvan ieder tegenstrijdig is aan de ander. Er bestaan talloos veel alternatieve religies, waarvan ieder tegengesteld is aan elke andere. Precies hetzelfde argument zou kunnen worden opgevoerd namens ieder van die religies: niet alleen de ongeveer 240 die men in een goed boek over vergelijkende godsdiensten ziet opgesomd, maar ook nog voor iedere andere religie die ongetwijfeld nog in de toekomst verzonnen zal worden.
3. Het probleem van onverenigbaarheid[6]
Elke religie maakt haar eigen onderscheidende waarheidsbeweringen, beweringen welke die van alle andere religies logisch beconcurreren. Ze zijn elkaars tegengestelden. Toch, als dit zo is, kan er op zijn hoogst maar één religie helemaal waar zijn, en moeten alle anderen overtuigingen bevatten die onjuist zijn. Dan komt zelfs de vraag op of het mogelijk is dat ze allemaal onjuist zijn.
Dat is niet alleen mogelijk, maar zelfs waarschijnlijk. Want, als we hun respectievelijke kwalificaties bezien, blijkt iedere religie beweerd bewijs te kunnen oproepen om haar waarheidsbeweringen te steunen: bewijs in de vorm van publieke miraculeuze gebeurtenissen, van grote veranderingen veroorzaakt in de levens van gelovigen, van beantwoorde gebeden, van goddelijke openbaringen en soortgelijke. Bovendien, als iedere religie tegengesteld is aan alle anderen, dan moet voor ieder bewijs dat wordt opgevoerd om de waarheidsbeweringen van de een te steunen, worden aangenomen dat het de waarheidsbeweringen van alle anderen ondermijnt. Maar aangezien de aanhangers van elke gegeven religie in de minderheid zijn ten opzichte van die van alle andere geloven samen, volgt daaruit dat het ervaringsbewijs dat elke gegeven religie ondermijnt ook groter moet zijn dan het ondersteunend bewijs. Als iemand “de kansen inschat”, zoals Pascal aanraadt, moet men concluderen — op basis van ervaringsbewijs — dat de kans dat een willekeurige religie de ware is zwaar overtroffen wordt door de kans dat ze het niet is. Vandaar dat de kans van op het juiste paard gewed te hebben en aan “de winnende kant” te zijn bijzonder gering is. En het hele idee dat er zelfs maar één winnaar zou kunnen bestaan, begint dan vergezocht te lijken.
Bovendien, als iedere religie in tegenspraak is met alle anderen, dan wekt ieder bewijs dat de één ondersteunt, twijfel op over de authenticiteit of waarde van de beweerde bewijzen voor de anderen; en de anderen, wederkerig, moeten twijfel opwekken over de authenticiteit of waarde van het beweerde bewijs voor de ene. Vandaar dat men zich kan afvragen of enig beweerd bewijs voor welke religie dan ook, serieus kan worden genomen.
4. Hume’s argument van tegengesteldheid

De achttiende-eeuwse Schotse filosoof David Hume [7] was de eerste die er op wees dat dit, of iets als dit, de logica van de situatie was. In zijn essay getiteld “Over wonderen” schreef hij:
“in zaken van religie is wat anders is, tegengesteld; en ... het is onmogelijk [dat] de religies van het oude Rome, van Turkijë, van Siam, en van China allen gevestigd zouden zijn op een solide grondslag. Daarom, ieder wonder waarvan beweerd wordt dat het is verricht in elk van deze religies (en allen kennen wonderen in overvloed), aangezien hun directe doel de bevestiging van het bepaalde systeem is waaraan het wordt toegeschreven; heeft dus ook dezelfde kracht, zij het meer indirect, om alle andere systemen omver te werpen. Door het vernietigen van een rivaliserend systeem, vernietigt het tegelijkertijd de geloofwaardigheid van de wonderen waarop dat systeem gebaseerd was; zo dat alle mirakels van andere religies als tegenstrijdige feiten moeten worden beschouwd, en de bewijzen voor deze wonderen, of ze nu sterk of zwak zijn, als elkaars tegenstellingen.” [8]
Om de omvang en kracht van Hume’s argument te kunnen waarderen, moeten we eerst begrijpen wat hij met een “wonder” bedoelt. Hij gebruikt het niet in de oppervlakkige zin waarmee iemand kan zeggen, “Het is een wonder dat ik die botsing overleefd heb.” Voor hem is een wonder niet slechts iets dat ongewoon is, of opmerkelijk gelukkig.
In een definitie die in veel dictionaires wordt gegeven, en die algemeen geaccepteerd wordt door theologen en filosofen, zegt Hume dat een wonder iedere gebeurtenis is die verondersteld wordt een inbreuk op de natuurwetten in te houden, teweeggebracht door een godheid of andere bovennatuurlijke tussenpersoon. Hij schrijft: “Een wonder kan accuraat gedefinieerd worden als een overtreding van een natuurwet door een bepaalde wilsuiting van de Godheid, of door tussenkomst van enige onzichtbare bemiddelaar.” In feite, een gebeurtenis wordt alleen als echt wonder aangemerkt als het voorvallen daarvan niet aan geheel natuurlijke oorzaken kan worden toegeschreven. Zoals Hume het zegt: “Niets wordt een wonder geacht, als het ooit in het normale verloop van de natuur gebeurt.” Laten we nu eens kijken naar het gebied van gebeurtenissen die door deze definitie worden gedekt. Ze omvat alle daden waarmee een god zichzelf zou kunnen openbaren: alle veronderstelde communicaties met de mensheid in goddelijke geschriften of profetieën; alle publieke vertoningen van goddelijke macht; en alle private openbaringen aan de vrome mens. Om dit punt te benadrukken: de term “wonder” is niet alleen van toepassing op publiekelijk verrichte wonderen, maar ook op die welke persoonlijk werden ondervonden. Onder het eerste kunnen we zulke gevallen betrekken als de scheiding van de Rode Zee, het uit een maagd geboren doen worden, water in wijn te veranderen, iemand uit de dood opwekken, gebedsgenezing, en gebeurtenissen zoals die welke volgens rapporten vrijwel dagelijks plaatsvinden in Lourdes.
Ieder van deze gebeurtenissen zou in principe getest kunnen worden door gewoon publiek onderzoek. Maar sommige beweerde wonderen zijn van meer private aard. Voorbeelden hiervan zouden zulke beweerde gebeurtenissen omvatten als: visioenen van Jezus, van de maagd Maria, of van Krishna; de stem van God of een engel te horen vertellen wat hij wil dat je doet; een levendig bewust zijn van God in de natuur; mystiek bewust zijn van het onnoembare; innerlijke verzekeringen van Gods liefde en vergeving; in gebed met God samen te zijn; de ondervinding van wat sommigen beschrijven als “het vervuld zijn van de Heilige Geest”; het gevoel één te zijn met het oneindige; typische bekeringservaringen zoals “herboren” te zijn, en dergelijke. Deze laatste voorbeelden lenen zichzelf niet zo goed voor publiekelijk kritisch onderzoek. Deze ervaringen zelf zijn subjectief. Maar omdat ze toegeschreven worden aan een ingrijpen in iemands privé leven door een bovennatuurlijk of goddelijk wezen, of tenminste aan de interactie met iets dergelijks, worden deze subjectieve ervaringen verondersteld zicht te bieden op iets waardoor we kennis kunnen maken met een “hogere” objectieve realiteit, iets dat verder reikt dan de natuurlijke wereld. Evenals met gebeurtenissen van de publieke soort, geldt voor gebeurtenissen in de privé sfeer: als een beweerd wonder door een natuurlijke gebeurtenis verklaard kan worden, wordt die niet meer als “echt” wonder aangemerkt. [9]
Hume’s definitie van wonderen omvat dus iedere voorstelbare soort van ervaringsbewijs die kan dienen om geloof in het bestaan van enig soort bovennatuurlijke macht te steunen, of de waarheidsbeweringen van een bepaalde religie te bevestigen.
Hoe goed is Hume’s argument? Laten we beginnen met de premisse dat verschillende religies elkaars tegengestelden zijn: dat ze niet allemaal waar kunnen zijn, maar wel allemaal onwaar. Is deze premisse correct?
5. De onverenigbaarheid van religies aangevochten
De cruciale premisse, zoals Hume die stelde, is de bewering dat “inzake religies, wat anders is, is tegengesteld.” Als dit niet juist is, valt de rest van het argument uit elkaar. Maar is het waar?
Met toepasselijke kwalificaties op wat Hume bedoelde met “wat anders is,” denk ik dat het antwoord ‘ja’ is. Want uit de context blijkt duidelijk dat hij het alleen heeft over die verschillen die kenmerkend zijn voor iedere religie, en die het onderscheiden van andere religies. Het zijn deze kenmerkende verschillen waarvan hij stelt dat die elkaars tegenstellingen zijn. De juistheid van Hume’s onverenigbaarheids-premisse wordt geaccepteerd door theologen van de zogenoemde “exclusivistische” school. Volgens de Zwitserse theoloog Karl Barth bijvoorbeeld, “we hoeven niet te aarzelen om te zeggen dat de christelijke religie de ware religie is.” [10] Op gelijke wijze schrijft een andere theoloog, Karl Rahner, “Het christendom ziet zichzelf als de absolute religie, bedoeld voor alle mensen, die geen andere religie als gelijkgerechtigd naast zichzelf erkent.” [11] De grote meerderheid van theologen en gewone gelovigen neigt tot gelijksoortige exclusivistische claims voor de door hen gekoesterde doctrines.
Maar de onverenigbaarheids-premisse is recent onder vuur gekomen, zowel van binnenuit als van buiten de citadellen van geloof.
6. John Hick’s bezwaar tegen tegenstrijdigheid
Een van de meest gezaghebbende religie-filosofen, John Hick, is zich terdege bewust van de klaarblijkelijke tegenstellingen tussen de waarheidsbeweringen van verschillende religies. Maar hij moedigt ons aan die te zien als aanvullende (in plaats van tegengestelde) weergaven van één enkele goddelijke waarheid. Hij probeert ons tot zijn standpunt te verleiden door het welbekende verhaal te vertellen van de blinden en de olifant:
"Een olifant werd naar een groep blinde mannen geleid die zo’n dier nog nooit tegengekomen zijn. De een voelde een poot en meldde dat een olifant een grote levende pilaar was. Een ander voelde de slurf en vertelde dat een olifant een grote slang was. Weer een ander voelde een slagtand en zei dat een olifant op een grote ploegschaar lijkt. En zo ging het verder. Daarna maakten ze onderling ruzie, waarbij ieder beweerde dat zijn weergave de juiste was, en daarom die van alle anderen niet. Feitelijk hadden ze natuurlijk allemaal gelijk, maar iedereen refereerde aan één aspect van de werkelijkheid, en allen drukten zich uit in zeer imperfecte analogieën." [12]
Hick zou ons willen doen concluderen dat de schijnbare onverenigbaarheid tussen verschillende religies niet meer is dan dat — schijnbaar, maar niet reëel.
Als een impliciet pleidooi voor religieuze verdraagzaamheid, is Hick’s vergelijking even loffelijk als ze nodig is. Maar als weerlegging van de onverenigbaarheids-premisse schiet ze tekort. Hij zegt dat de verschillende weergaven door de blinden “allemaal waar” waren, dus verenigbaar. Maar, bij zorgvuldige beschouwing wordt in de eerste plaats duidelijk dat ze in feite onverenigbaar waren, als gesteld,en ten tweede dat ze allen fout waren. De bewering dat een olifant een levende pilaar is, is inconsistent met de bewering dat een olifant een grote slang is, en ze zijn beiden inconsistent met de bewering dat een olifant op een ploegschaar lijkt. Bovendien, aangezien een olifant (als onderscheiden van bepaalde delen van een olifant) noch een van deze drie dingen is, noch daarop lijkt, zijn alle drie beweringen onjuist. Als iedere blinde had toegegeven slechts een gedeeltelijk aspect van een olifant te hebben waargenomen, zou er geen verschil van mening op zijn gevolgd. Hetzelfde geldt voor religieuze verschillen. In feite beschouwen de blinde mannen van religie hun eigen doctrines niet als “imperfecte analogieën”, als gedeeltelijke visies op een enkele transcendente realiteit. In plaats daarvan beweert ieder, net als Barth en Rahner, dat alleen zijn visie de complete en absolute waarheid biedt.
7. John Mackie’s bezwaar tegen de onverenigbaarheids-premisse
Niet alleen een handvol religieuze apologeten als Hick twijfelen aan de juistheid van de onverenigbaarheids-premisse, maar ook sommige religieuze sceptici. In een onkarakteristiek milde passage becommentarieert de atheïstische filosoof John Mackie haar rol in Hume’s argument als volgt:
"Dit argument ... heeft nu minder kracht dan het had toen Hume het schreef. Geconfronteerd met gezaghebbende lichamen van atheïstische of sceptische opinie, hebben de aanhangers van verschillende religies hun onderlinge vijandigheid gematigd. De aanhanger van één religie zal nu vaak toegeven dat een aantal anderen tenminste sommige elementen van waarheid kunnen hebben, en misschien zelfs een bepaalde mate van goddelijke goedkeuring. Het is niet meer “De heiden in zijn blindheid,” maar eerder “We vereren dezelfde God, maar onder verschillende namen en op andere manieren.” Indien deze moderne tendens ver genoeg wordt doorgevoerd, zouden christelijke wonderen het geloof in de bovennatuurlijke prestaties van wonderdokters en medicijnmannen uit het Stenen Tijdperk ondersteunen, en niet ondermijnen. En vice versa. Het is alsof iemand de leuze, “Wonderdokters van de wereld, verenigt u!” had bedacht." [13]
Maar Mackie vergist zich hier. Om te beginnen, waar we het hier over hebben, is of de geloven die kenmerkend zijn voor één religie logisch vijandig zijn voor, dat wil zeggen inconsistent zijn met, de kenmerkende geloven van andere religies. Maar op een of andere manier staat Mackie zichzelf toe deze kwestie te vervangen door de niet ter zake doende vraag of gelovigen van één religie openlijk vijandig staan tegenover gelovigen in andere religies. Hij waagt de dubieuze claim dat een nieuwe oecumenische geest rondwaart, die de belofte inhoudt gelovigen met elkaar te verzoenen. Maar zelfs als dit zo zou zijn, toont dat nog niet aan dat een verzoening teweeg gebracht kan worden van de centrale geloven die ze aanhangen. [14]
Ten tweede gaat het er hier niet om of de aanhangers van één doctrine willen toegeven dat er ook wel “sommige elementen van waarheid” in een ander geloof schuilen. Het feit, als het een feit is, dat ze het niet over alles oneens zijn wil nog steeds niet zeggen dat ze het niet ergens oneens over zijn. Gedeeltelijke overeenstemming tussen verschillende doctrines is nog lang geen volledige overeenstemming. We moeten voor ogen houden dat het alleen van belang is of er enig punt van geloof in het ene doctrine is dat enig punt in het andere doctrine onwaar maakt, omdat het logisch inconsistent is. Als dat er is, dan zijn de doctrines onderling conflicterend, zo niet contradictorisch. [15]
Ten derde, moeten we Mackie’s gebruik van de term “zelfde god ... onder verschillende namen” eens nader bekijken. Deze schijnt Hick’s exclusivistische bewering te steunen dat een schijnbare onderlinge tegenspraak tussen de doctrines van verschillende religies alleen maar verbaal is, en niet echt bestaand. Maar heeft een van hen gelijk?
8. De onverenigbaarheids-premisse aangetoond
Laten we de drie religies eens bekijken die het best in aanmerking komen voor de omschrijving “het vereren van dezelfde god ... onder verschillende namen.” Dat zijn het judaïsme, het christendom en de islam.
Alle drie religies zijn het er over eens dat er een opperwezen bestaat dat schepper en ondersteuner van ons allen is; dat dit opperwezen de god van Abraham is; dat de god van Abraham, bekend onder de verschillende namen (of beschrijvingen) “Jaweh”, “God de Vader” of “Allah” een persoonlijke god is; dat zijn belangrijkste eigenschappen almacht, alwetendheid en perfecte goedheid zijn; dat hij zich aan de mensheid geopenbaard heeft door profeten als Mozes, Elia, Amos, Hosea, Jesaja en Jeremia; dat de Oud-testamentische geschriften heilig zijn; enzovoort.
Maar, zoals we al gezien hebben, betekent dit nog niet dat judaïsme, christendom en islam niet onderling onverenigbaar zijn. Die vraag kan alleen beantwoord worden door te bepalen of er juistheidsbeweringen bestaan die essentieel voor een bepaald geloofssysteem zijn, maar die niet zonder logische inconsistentie [16] binnen de onderscheidende geloofssystemen van de anderen geaccepteerd kunnen worden.
Zulke juistheidsbeweringen zijn niet moeilijk te vinden: juistheidsbeweringen over de aard en status van Jezus van Nazareth, bijvoorbeeld. Jezus Christus is de centrale figuur van het christendom, waarvan christenen beweren dat hij niet alleen een profeet van God is, maar God zelf die mens geworden was. Accepteren joden en moslims de bewering dat Jezus één en dezelfde is met God? Dat doen ze niet, noch kunnen ze dit logischerwijs. Want als ze dit accepteren zouden ze hun eigen religies loochenen en christenen worden. Te zeggen dat deze juistheidsbewering “tegenstrijdig” is met de grondbeginselen van hun eigen geloof, zou het bagatelliseren ervan betekenen. Volgens beiden is ze niet alleen onjuist, maar zelfs blasfemisch.
Het feit dat deze religies tegenstrijdige beweringen maken over Jezus toont aan hoe oppervlakkig de opinie is dat ze allen dezelfde god vereren onder verschillende namen. Het kan wel zijn dat alle drie religies beweren in dezelfde god te geloven: de zogenoemde “God van Abraham.” Maar ze vergissen zich. Waar zij in geloven is in drie verschillende goden “van Abraham.” Voor het christendom wordt de god van Abraham geïdentificeerd met een mystieke eenheid van wezens: de Heilige Drie-eenheid, God de Vader = God de Zoon = God de Heilige Geest. Voor het jodendom en de islam is hij dat niet. Voor de islam wordt de god van Abraham geïdentificeerd met de god die Zichzelf het meest volledig openbaarde aan Mohammed. Voor het christendom en jodendom is hij dat niet. Voor het judaïsme wordt de god van Abraham geïdentificeerd met de god die nog steeds — tot vandaag aan toe — Zijn beloofde Messias moet sturen. Voor het christendom en de islam is hij dat niet. Maar de god van Abraham kan niet identiek zijn aan ieder van deze drie verschillende goden; en hij kan niet gelijktijdig identiek zijn aan, en verschillend zijn met, elk van hen. Om het op een andere manier te stellen: één en dezelfde god kan niet zowel een eigenschap bezitten als missen, een eigenschap die door minstens een van die religies aan hem wordt toegeschreven, en waarvan de anderen ontkennen dat hij die bezit. Hij kan niet het meest volledig vertegenwoordigd worden door Mozes, uitsluitend door Jezus, en exclusief door Mohammed. Daarom bestaat er geen enkele “god van Abraham” die vereerd wordt door de aanhangers van alle drie religies. Net zo goed als we een aantal verschillende namen of beschrijvingen kunnen hebben voor één enkel object, kunnen we een enkele naam of beschrijving — “god van Abraham,” bijvoorbeeld — voor geheel verschillende objecten gebruiken. Met het spreken over het vereren van dezelfde god onder verschillende namen verbergt men een logische warboel over de verschillende identiteiten van de goden die in deze religies worden vereerd. Het doet geen afbreuk aan de angel van de onverenigbaarheids-premisse.
De juistheid van de onverenigbaarheids-premisse wordt opnieuw bewezen als we het domein van de theïstische religies verlaten en ze vergelijken met de non-theïstische: bijvoorbeeld Advaita Vedanta hindoeïsme en Theravada boeddhisme. Geen van beiden accepteert de propositie, die alle theïstische religies gemeen hebben, dat de ultieme realiteit persoonlijk is. [17] En ieder heeft zijn afwijkende, en tegenstrijdige mening over wat de ultieme realiteit is.
Men zou natuurlijk kunnen beweren — zoals John Hick doet — dat al deze religies, of ze nu theïstisch zijn of niet, “divers besef van dezelfde onbegrensde transcendente realiteit vertegenwoordigen.” [18] Maar hoewel Hick’s terminologische hemelvaart tot in hoge algemeenheden er veelbelovend uitziet, dient ze slechts om het zicht op de logische situatie te vertroebelen. We moeten voor ogen houden dat deze bewering op zich geen deel vormt van het geloofssysteem van een van deze religies zelf. Evenals zijn bewering dat ieder van de blinde mannen “refereert aan slechts één aspect van de totale werkelijkheid” zelf verschilt van, en tegenstrijdig is met, de bewering van iedere blinde te weten wat een olifant is, zo verschilt zijn eigen universalistische, inclusivistische, religieuze wereldbeeld met dat van andere religies, en is die daaraan tegengesteld. Hick’s inclusivistische religie belooft rivaliserende religies met elkaar te verzoenen, maar eindigt met ons een nieuwe te bieden die met alle anderen rivaliseert.
9. De bewijzen tegen alle religies: Terug naar het wedden
Een van de implicaties van de onverenigbaarheid van religies is, zoals Hume aangeeft, dat “daarom, ieder wonder waarvan beweerd wordt dat het is verricht in elk van deze religies (en allen kennen wonderen in overvloed), aangezien hun directe doel de bevestiging van het bepaalde systeem is waaraan het wordt toegeschreven; het dus ook dezelfde kracht heeft, zij het meer indirect, om alle andere systemen omver te werpen.”
De logica van Hume’s argument wordt duidelijk wanneer we het vertalen in termen die Pascal en James zouden onderschrijven op het gebied van wedden. Veronderstel in de eerste plaats, dat u gelooft dat er bewijs is dat een paardenrace zo gemanipuleerd wordt dat het 100% zeker is dat uw paard, C, gaat winnen. Dan bent u op basis van dit bewijs, logisch verplicht te concluderen dat alle andere paarden — H, I, J, enz. — zullen verliezen. Natuurlijk zult u meestal geen bewijs hebben van wat u als doorslaggevende omvang beschouwt, dat uw favoriet zal winnen. Wat Hume de “omvang” van uw bewijs noemt, kan minder dan doorslaggevend zijn. Als dit zo is, blijft u beperkt tot het inschatten van uw kansen. Als nu het bewijs dat u heeft sterk genoeg is om u er van te overtuigen dat C meer dan een 50:50 kans heeft om te winnen — dat wil zeggen dat u denkt dat het meer dan waarschijnlijk is dat C gaat winnen — dan handelt u rationeel als u uw weddenschap daarop afstemt. Veronderstel bijvoorbeeld dat u gelooft dat het bewijs voor C’s vorm in de race dusdanig is dat die een 4 tegen 1 gok op zijn winnen rechtvaardigt. Dan kunt u, op grond van dat bewijs, veilig aannemen dat er een 80% waarschijnlijkheid is dat al de andere paarden, H, I, J etc., verliezen.
Dit voorbeeld terug vertalend naar religieus gebied, laten we C het christendom zijn, H het hindoeïsme, I de islam, en J het judaïsme. Dan, in het eerste geval, als we geloven dat de verhalen over Jezus’ wederopstanding ons volkomen overtuigen van de zekerheid van het christendom, zijn we gerechtvaardigd in de conclusie dat alle andere religies verliezers zijn, dat wil zeggen dat de som van hun geloven onjuist is. Als u daarentegen gelooft dat de verhalen van Christus’ wederopstanding niet bewezen kunnen worden, maar niettemin de juistheid van de christelijke religie waarschijnlijk maken, dan bent u evenzo gehouden te zeggen dat het bewijs voor Christus’ wederopstanding de onjuistheid van hindoeïsme, islam, judaïsme en alle andere religies waarschijnlijk maakt in de religieuze weddenschappen. Het hangt allemaal af van uw inschatting van de kracht van het bewijs waarop u vertrouwt: of het naar uw mening voorziet in wat Hume op een andere plaats noemt “een bewijs of een waarschijnlijkheid.”
De juistheid van Hume’s stelling, dat het bewijs voor iedere religie alle andere religies ondermijnt, wordt hiermee aangetoond. Ongeacht waarop u de sterkte van het bewijs op inschat, vanaf “maakt de waarheid van religie R meer waarschijnlijk”, tot “ maakt R absoluut zeker” of “bewijst R”, waardeert u daarmee alle andere religies als waarschijnlijk onjuist tot zeker onjuist.
10. De onverenigbaarheid van bewijsbeweringen voor verschillende religies
Hume beweert niet alleen dat een bewijs dat telt voor één religie moet tellen als bewijs tegen alle andere religies. Hij zegt ook dat een bewijs dat voor één religie telt moet tellen tegen elk bewijs voor deze andere religies. Om hem nogmaals te citeren: “In het vernietigen van een rivaliserend systeem, vernietigt (een wonder) op dezelfde wijze de geloofwaardigheid van die wonderen waarop dat systeem gegrond was; zodat al de wonderen van verschillende religies als tegengestelde feiten beschouwd moeten worden, en het bewijs van deze wonderen, hetzij sterk of zwak, als tegengesteld aan elkaar.”[19]
We kunnen nogmaals illustreren waar Hume op wijst, door ons weer op het gebied van wedden te begeven. Als u beweert dat het bewijs dat C de race gaat winnen zeg maar 80% is, dan is die bewering tegengesteld aan die van iemand die beweert bewijs te hebben dat het meer dan waarschijnlijk is dat een ander paard gaat winnen. Dat wil dus niet alleen zeggen dat het bewijs waarop u vertrouwt de bewering ondermijnt dat een ander paard, zeg J, gaat winnen, maar het ondermijnt ook de bewering dat er een grotere kans dan 50:50 is dat J gaat winnen.
Laten we dit weer terug vertalen naar het religieuze strijdperk en de soorten bewijs die opgeroepen kunnen worden om de waarheid van één religie te bevestigen, als tegengesteld aan een andere. Stel dat een christen beweert dat het wonder van de Wederopstanding heeft plaatsgevonden, en dat die gebeurtenis de juistheid van het christendom bewijst of waarschijnlijk maakt. Veronderstel verder, dat een jood beweert dat zowel de Oud-Testamentische verhalen over de wonderen die Mozes verricht heeft aan het hof van de Farao waar zijn, en dat daarmee de juistheid van het judaïsme wordt bevestigd. En veronderstel dan ook nog eens dat een moslim beweert dat het wonder van de aartsengel Gabriel, die de Koran dicteert aan Mohammed, de juistheid van de islam bevestigt. Ieder van deze “bevestigende beweringen”, zoals ik ze zal noemen, telt tegen de juistheid van de anderen. Op zijn best kan slechts een van die beweringen over de betekenis van een gegeven wonder als bevestiging van zijn religie juist zijn. En natuurlijk is het logisch mogelijk dat al die bevestigende beweringen onjuist zijn.
Met een beetje nadenken kunnen we zien dat iedere bevestigende bewering met betrekking tot een wonder de volgende vorm aanneemt “Omdat wonder W gebeurde, is de juistheid van religie R waarschijnlijk of bewezen.” Als zodanig heeft een bevestigende bewering twee elementen. Ze berust op de stellige aanname of vooronderstelling dat W inderdaad gebeurde. En ze stelt dat het gebeuren van W de juistheid van R bewijst of waarschijnlijk maakt.
Daaruit volgt dat er twee gronden zijn waarop we de waarde van zulke bevestigende beweringen ter discussie kunnen stellen. In de eerste plaats mogen we ons afvragen of W in feite plaatsvond, en of het bewijs voor dat gebeuren zelf geloofwaardig is, of illusoir. In de tweede plaats kunnen we ons afvragen of, zelfs als het geloofwaardig is, het helpt om de juistheid van R als waarschijnlijk of zeker te bevestigen. Misschien gelooft u dat paard C gaat winnen op grond van gehoord te hebben dat de race in zijn voordeel gemanipuleerd gaat worden. Maar toch zou wat u gehoord heeft, zelf onjuist kunnen zijn. En dan nog, zelfs als het bewijs in feite betrouwbaar is, kan het nog steeds dubieus zijn dat het feit dat de race gemanipuleerd wordt voldoende grond biedt om aan te nemen dat er geen kans bestaat dat C niet wint. Tenslotte, zullen sommigen er op wijzen, is het heel goed mogelijk dat C struikelt of een been breekt, en dat uw zekerheid dat C gaat winnen misplaatst blijkt te zijn.
Pas dit nu eens toe op het christendom. Neem de kwestie van de herrijzenis van Jezus Christus. Het geloof dat hij uit het graf is opgestaan wordt door veel christenen gezien als absoluut centraal te staan in het christendom. “Als Christus niet is opgestaan,” zei Paulus, “dan is ons geloof vergeefs.” Het wonder van de Wederopstanding wordt door veel christenen gezien als bevestiging dat Jezus goddelijk was. Maar bestaan er goede redenen om te geloven dat de Wederopstanding in feite plaatsvond? En als die gebeurde, zou dat zijn goddelijkheid bevestigen?
Heeft de Wederopstanding plaatsgevonden? Iemand die er op staat de rechtvaardiging voor dit geloof te onderzoeken, zou tot zijn teleurstelling kunnen ontdekken dat de Evangeliën verschillende, en inconsistente, verhalen leveren over de Wederopstanding; dat die verhalen niet genoemd worden door, en klaarblijkelijk onbekend zijn aan, de vroege kerkvaders tot aan ver in de tweede eeuw n.C.; dat er geen onafhankelijke en goed gedocumenteerde bewijzen bestaan dat Jezus ooit geleefd heeft, laat staan gestorven is en opgestaan uit het graf; of ook, dat veel van de vroegste christenen waarover historische gegevens bestaan, de zogenoemde Docetisten (wiens opvattingen stand hielden van 70 n.C. tot 170 n.C.), Jezus beschouwden als nooit meer dan een verschijning te zijn geweest, een geest zonder fysiek lichaam dat kon sterven of daarom zou kunnen herrijzen.
Maar stel dat een christen nog nooit van deze bezwaren gehoord heeft, of verkiest die te negeren. Veronderstel daarom, dat hij of zij nog volhoudt dat de Wederopstanding in feite gebeurde, op een of andere manier zoals beschreven in de Evangeliën. Zelfs dan nog, kan de bewijswaarde van deze (veronderstelde) wonderbaarlijke gebeurtenis om ook nog andere redenen dubieus worden geacht. Want waarom, mag dan gevraagd worden, denken christenen dat opstaan uit de dood de goddelijkheid bevestigt van de persoon die stierf en tot het leven terugkeerde? Deze conclusie zouden ze zeker niet trekken over Lazarus, bijvoorbeeld. Noch over die anderen waarover Mattheus (27:52-53) ons vertelt, waarvan ten tijde van Jezus’ dood “... de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt; en uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen.” Maar als zij dat niet denken, waarom dan niet?
Ook over andere religies kunnen we gelijksoortige vragen stellen over de bewijzen die daarvoor worden aangedragen. In het geval van het judaïsme, kunnen we in de eerste plaats vragen: Zijn de Oud-Testamentische verhalen over de wonderen van Mozes werkelijk waar? Waarom geeft de Egyptische geschiedschrijving — opmerkelijk gedetailleerd voor de betrokken periode — geen enkele suggestie voor de aanwezigheid van de Kinderen van Israel in hun midden voor 430 jaar, vooral gegeven het feit dat het aantal veronderstelde tot slavernij onderworpen te zijn mannelijke volwassenen 600.000 telde (voor een geschat totaal van ongeveer twee miljoen, inclusief vrouwen en kinderen), ten tijde van hun verlossing? Waarom hebben archeologen en historici geen spoor gevonden van het bestaan van Mozes, of van de aanwezigheid van zoveel Kinderen van Israel in de Sinaï woestijn voor veertig jaren?
En ten tweede: Zelfs als deze verhalen waar zouden zijn, ondanks het gebrek aan bewijs, zijn ze dan zo belangrijk als wordt beweerd? Tenslotte, als Exodus, hoofdstuk 3 waar is, dan konden de tovenaars aan Farao’s hof de meeste van Mozes’ wonderen nadoen - wonderen als het veranderen van een stok in een slang, alle wateren van Egypte in bloed, en een kikkerplaag veroorzaken — alleen in gebreke blijvend toen het op het produceren van luizen aankwam. Zou een religieuze jood willen zeggen dat de wonderen van deze Egyptische tovenaars — door het Oude Testament als net zo geloofwaardig gekwalificeerd — de juistheid bevestigen van de religie van de Egyptenaren?
Gelijksoortige vragen komen op over de islam. Moslims geloven dat de engel Gabriel de Koran dicteerde aan Mohammed. Is deze heilige tekst inderdaad op deze manier ontstaan? En welke waarde moeten we hechten aan de bewering dat dit zo is? Trouwens, welke waarheid, of betekenis, moeten we hechten aan de mormoonse beweringen over de engel Moroni’s bezoeken aan Joseph Smith, of aan beweringen over de goddelijke oorsprong van het Boek van Mormoon? We zouden in principe door kunnen gaan gelijksoortige vragen te stellen over de waarheid en betekenis van alle miraculeuze openbaringen die als grondleggend worden beschouwd voor iedere religie verspreid over het wijde spectrum van geloof.
Nogmaals, Hume heeft gelijk. Als we enig van deze beweerde bewijzen zouden accepteren als solide en relevant zijnd, en de beweerde betekenis ervan aanvaarden, zouden we logisch verplicht zijn om alle andere concurrerende beweerde bewijzen af te wijzen. Dat wil zeggen, we zouden logisch verplicht zijn van iedere rivaliserende religie te zeggen dat of haar beweerde bewijzen onecht zijn, of dat die de betekenis ontberen die er van beweerd wordt. Zoals Hume het stelt, vernietigen alle dergelijke beweerde bewijzen de geloofwaardigheid van bewijzen voor andere religies.
11. Nogmaals het probleem van de “ in zichzelf vastlopende logiciteit”
William James, zult u zich herinneren, adviseerde zijn toehoorders de wat hij noemde “vastlopende logiciteit” te negeren bij het proberen te bepalen aan welke religie men zijn leven wil wijden in het hier en nu. Zijn advies? Vertrouw op de religie die uw leven tot nog toe bepaald heeft. Dat wil zeggen, vertrouw op de religie waarin u bent opgevoed.
Maar zijn strategie is waardeloos. Hij richtte zich tot de protestante gelovigen in New England en kon er daardoor op vertrouwen dat ze daarop zouden reageren met het onderschrijven van het geloofssysteem dat ze al hadden. Maar stel dat hij, of iemand anders, dezelfde soort redenatie zou opdringen aan gelovigen van een andere religie, de islam bijvoorbeeld. Als zij zijn redenatie zouden accepteren, zou dat opnieuw het effect hebben hun reeds vastgeroeste geloof te bestendigen. En dat geldt voor alle andere rivaliserende religies: judaïsme, hindoeïsme, mormonisme, zevende-dag-adventisme, en de rest. In het kort, zijn advies doet helemaal niets om de vastlopende logiciteit te ontlopen waar men voor komt te staan als men, in het streven naar waarheid, probeert te bepalen welke van de ontelbare elkaar tegensprekende religies juist is, als er tenminste één juist is. Als deze redenering in het voordeel van één religie zou gelden, dan zou ze net zoveel in het voordeel van iedere andere religie gelden. Maar dit betekent dat die redenatie in het voordeel van geen enkele religie is. De vastlopende logiciteit gaat er niet mee weg.
Het is zelfs zo, dat de logica van Hume’s argument er dubbel zo sterk door wordt. Want niet alleen zijn de rivaliserende religies logische rivalen van elkaar; de bewijzen die worden aangedragen om de ene religie te steunen, tellen tegen die van elke andere religie; en de bewijzen voor ieder van de andere religies tellen tegen die voor de ene. Ook hier weer, staan ze gelijk. Zo worden we in het lastige parket gebracht waarin we moeten kiezen welke, indien enige, gebaseerd is op bewijs sterk genoeg om te geloven. Vooral de nadrukkelijke term “indien enige” is uiterst zorgwekkend. Want gegeven het feit dat de beweerde bewijzen onverenigbaar zijn, in plaats van simpele tegenstellingen, bestaat de duidelijke mogelijkheid dat geen van hen waar is. Dat wil zeggen dat het mogelijk is dat ze allen niet meer zijn dan aan de verbeelding ontsproten hersenspinsels, wellicht voortgebracht door gevoelens van tekortschieten, door zucht voor verering, of eenvoudig door de wens zich niet te vervreemden van de religieuze gemeenschap waarin men werd opgevoed.
12. Richtlijnen voor verstandig wedden
Hoe moeten we dan verder gaan? Wel, laten we eens kijken hoe een voorzichtig persoon te werk zou gaan wanneer die geconfronteerd wordt met een min of meer analoge situatie, maar dan wel een die gebeurtenissen inhoudt die niemand als wonderbaarlijk zou beschouwen. Veronderstel bijvoorbeeld dat u niet de enige gokker bent die op bewijs vertrouwt dat de race gemanipuleerd wordt ten gunste van uw paard. U ontdekt dat de gokkers op andere paarden er ook op vertrouwen dat de race gemanipuleerd wordt ten gunste van hun paarden. Aangezien ieder van hen beweert over bewijs te beschikken dat u het verkeerd heeft, toont die overmacht van bewijs ook aan dat u het waarschijnlijk verkeerd heeft.
Nu, aangezien de race niet zodanig gemanipuleerd kan zijn dat alle paarden winnen, realiseert u zich dat er iets helemaal mis is, en dat het mogelijk is dat iedereen, ook uzelf, om de tuin wordt geleid. In een dergelijke situatie zou u — als een rationele wedder — het bewijs voor uw geloof dat uw paard gaat winnen, eens kritisch willen onderzoeken. Misschien vertrouwde u op het verhaal van iemand anders, over de manipulatie van de race. In dat geval zou u de geloofwaardigheid van die persoon eens zorgvuldiger willen onderzoeken, en hem aan de tand voelen over welke redenen hij had voor zijn stellige beweringen. Of misschien waren het geen tweedehands verhalen waarop u vertrouwde. Misschien had u bewijzen uit de eerste hand: u was er bij toen trainers en/of jockeys schenen samen te zweren om uw paard te laten winnen. In dat geval zou u aan uw eigen goedgelovigheid kunnen gaan twijfelen. Zou het misschien allemaal een grote misleiding van hun kant geweest kunnen zijn? Of, zou uw wens om een grote slag te slaan zo sterk zijn geweest dat u wat u hoorde verkeerd begrepen heeft, en in de val van zelfbedrog bent gelopen? En, analoog redenerend, zou het niet zo kunnen zijn dat allen, niet alleen u, maar ook alle andere wedders, op gelijke wijze bedrogen zijn, of zichzelf bedriegen? Bij nader inzien, zou u kunnen concluderen dat dit niet alleen mogelijk is, maar zelfs waarschijnlijk.
Vertaal deze redenatie nu eens naar het religieus gebied,en beschouw de situatie waarvoor de voorstander van één bepaalde kandidaat in de religieuze weddenschappen staat — zeg die van het christendom. Precies zoals de gokker moet onderzoeken of de schijnbare manipulatie van de race echt was, of alleen maar een voorwendsel, zo moet een rationele christen onderzoeken of een gebeurtenis die verondersteld wordt een wonder te zijn dat zijn christelijk geloof steunt, werkelijk een wonder is of dat het in natuurlijke termen verklaard kan worden.
Om zulk onderzoek uit te voeren, moet de gelovige de redenen onderzoeken voor zijn geloof dat dit veronderstelde wonder inderdaad heeft plaatsgevonden. Vertrouwde hij op tweede-hands informatie, een geloof doorgegeven door zijn voorvaderen misschien, of op overtuigingen die voor waar worden aangenomen door leden van de religieuze gemeenschap waartoe hij nu behoort? Als dat zo is, moet hij de kwalificaties van deze overtuigingen controleren, daarbij altijd de geneigdheid van veel mensen voor ogen houdend om in het buitengewone en wonderbaarlijke te geloven, of om de dictaten van een autoriteit te accepteren, en de sociale en persoonlijke schande die men riskeert bij twijfel over iets dat voor heilig wordt gehouden.
Een gewetensvol onderzoek langs deze lijnen zou wel eens kunnen onthullen dat datgene dat hij voor waar accepteerde, verre van zeker is en zelfs aantoonbaar onjuist kan zijn. Zelfs de meest vurige orthodox gelovige zou kunnen ontdekken dat hij naar geweten gedwongen is in te stemmen met de ge-ontmythologiseerde overtuiging van zogenoemde modernistische theologen als Rudolph Bultman. Hij zou zelfs zo ver kunnen gaan om te twijfelen — met Albert Schweitzer en anderen — of er gedegen historisch bewijs bestaat voor het bestaan van ene Jezus Christus, en eindigen met slechts de aanvaarding van de zogenaamde “moraal” die geassocieerd wordt met de Jezus mythe.
Wanneer het komt tot onderzoek van de kwalificaties van zijn eigen persoonlijke ervaringen van het goddelijke, wordt de taak meer afschrikwekkend. Onze eigen onmiddellijke ervaringen dragen altijd de overtuiging van hun eigen geloofwaardigheid in zich mee, dat wil zeggen van hun niet-illusoire aard. Kan hij echt in twijfel trekken dat hij een visioen van Moeder Maria zag, of dat God hem zei een kruistocht ter verdediging van het “ware geloof” te beginnen? Moeilijk. Maar niet onmogelijk. Twijfel zou zijn zekerheid wel eens kunnen aantasten wanneer hij, als rooms-katholiek bijvoorbeeld, ontdekt dat de Maagd maar zelden verschijnt in visioenen van protestanten, en al helemaal nooit in die van joden, moslims of hindoes. En ook kan hij beginnen te twijfelen of God hem werkelijk die instructies gegeven had, als hij ontdekt dat de onwankelbare verdedigers van andere geloven met dezelfde gepassioneerde oprechtheid beweren dat God aan hen opdracht gaf tot een kruistocht tegen zijn sekte of religie. De sterkste subjectieve overtuiging, kan hij overwegen, kan gelovigen van alle religies en sekten aansporen om anderen het leven te benemen in een religieuze oorlog, en ze zelfs motiveren hun eigen leven “in Gods naam” te geven.
Maar zo’n subjectieve overtuiging, kan hij concluderen, kan nooit de waarheid garanderen van de doctrines die iedere zijde probeert te verdedigen. Het feit zou hem kunnen opvallen, dat hoewel God naar het hem voorkomt hem vaak vertelt die acties te ondernemen waartoe hij al geneigd was, maar dat God nooit tegenbevelen geeft die hem vertellen dat hij Gods boodschap verkeerd begrepen had, en dat hij moet stoppen met het herrie schoppen waar hij aan begonnen is. Is het waarschijnlijk, kan hij zich afvragen, dat de visioenen of stemmen in zijn hoofd, of in de hoofden van zijn religieuze tegenstanders, altijd authentiek zijn? Bij nader inzien, zou onze zoeker naar religieuze waarheid zich wel eens kunnen gaan realiseren dat zelfs niet één van zijn persoonlijke ontmoetingen met het goddelijke, serieus kritisch onderzoek kan doorstaan. Hij zou zelfs op de gedachte kunnen komen dat hij op geen van zijn ervaringen kan vertrouwen, om hem iets te zeggen over de werkelijkheid buiten de werking van zijn eigen geest.
En wat van toepassing is voor onze gelovige in het christendom, geldt evengoed voor gelovigen in andere religies. Ieder van hen, na zorgvuldig onderzoek, zou zich tot de conclusie gedwongen kunnen voelen dat het waarschijnlijk is dat gelovigen in andere religies het verkeerd zien, maar dat hij dat zelf ook doet. Tenslotte, als je goede redenen hebt om te geloven dat anderen tot onjuiste overtuigingen zijn misleid door te vertrouwen op bewijzen van een bepaalde soort, en je hebt zelf vertrouwd op dezelfde soort van bewijzen, dan heb je goede reden om te denken dat het jou ook tot een onjuiste overtuiging heeft geleid.
Tot zover heb ik Hume’s argument over de logische onverenigbaarheid tussen rivaliserende religies bevestigd, en uitgeweid over de daaruit volgende logische tegenstrijdigheid van hun bewijzen. Uit deze onverenigbaarheid volgt onmiddellijk dat de rivaliserende religies niet allemaal juist kunnen zijn, dat hoogstens een dat kan zijn, en dat het zelfs mogelijk is dat ze allen onjuist zijn. En ik ben nog verder gegaan, met de bewering dat het niet alleen mogelijk is dat allen onjuist zijn — op grond van bewijs is dat zelfs waarschijnlijk.
13. Een algemeen argument voor de waarschijnlijke onjuistheid van alle religies
Hume heeft een meer onafhankelijk argument voor deze sterkere conclusie. Het is een veel algemener argument, dat te maken heeft met de wonderlijke aard van de gebeurtenissen die aangevoerd worden om religieus geloof te steunen, in plaats van hun onverenigbaarheid.
Beknopt uitgedrukt, luidt dit als volgt. Teneinde een stelling als natuurwet te kunnen beschouwen, moet het beste bewijs waarin menselijke ondervinding en nauwgezet wetenschappelijk onderzoek kunnen voorzien, haar waarheid bevestigen. Kortom, de waarheid van een natuurwet moet de hoogste graad van waarschijnlijkheid hebben die iedere stelling maar kan hebben (anders dan een tautologie, een definitie, een logische waarheid, of een wiskundig axioma). Nu wordt, per definitie, een gebeurtenis alleen als wonder beschouwd als het gebeuren ervan tegenstrijdig is aan de natuurwetten. Als het niet tegenstrijdig zou zijn aan deze wetten, zou daar niets opmerkelijks aan zijn en zou het geen bewijswaarde verlenen aan een geloof in iets dat buiten de natuurlijke wereld zou liggen. Maar op grond van het tegenstrijdig zijn aan de natuurwetten — omdat het een overtreding daarvan inhoudt — moet een wonder daarom zo onwaarschijnlijk zijn als een gebeurtenis maar kan zijn. Toch moet ieder ondervonden bewijs, dat wordt aangevoerd ter ondersteuning van een bepaalde religie, enig soort van wonder inhouden: hetzij van de publieke soort, danwel van de persoonlijke soort. Daarom moet ieder ondervonden bewijs, aangevoerd ter ondersteuning van een religie, zo onwaarschijnlijk zijn als bewijs maar kan zijn. En de juistheid van elke religie waarvoor het ter ondersteuning wordt opgeroepen, moet dan net zo onwaarschijnlijk zijn.
Niets in het argument van onverenigbaarheid, of in dit andere, meer algemene argument, toont de onmogelijkheid aan van enige religie om de juiste te zijn. Maar deze argumenten demonstreren wel de hoge mate van onwaarschijnlijkheid dat er een juist kan zijn.
Alleen met erkenning van dit feit, zal de in zichzelf vastlopende logiciteit bij pogingen te kiezen uit rivaliserende religies, verdwijnen. Die zal alleen verdwijnen als we ons realiseren dat ze allemaal hoogst waarschijnlijk onjuist zijn, en dat geen ervan zelfs maar in de verte een aannemelijke kandidaat voor geloof is.
Appendix
Het voorgaande argument veronderstelt weinig ervaring met logica. Daarom, zoals Ted Drange er op wijst, zullen lezers die liever een meer formele presentatie zien, de volgende analyse van de totale structuur van het argument waarderen:
1 — De kenmerkende doctrines van verschillende religies bestaan uit tegengestelde beweringen.
2 — Daaruit volgt, dat elk bewijs ten gunste van één religie, bewijs is dat alle andere religies onjuist zijn.
3 — Als een religie onjuist is, dan is het beweerde bewijs daarvoor ook onjuist (of onecht).
4— Daarom impliceert elk bewijs ten gunste van één religie dat alle bewijs voor alle andere religies onjuist is (of onecht). [uit 2 en 3]
5 — Daarom, voor elke gegeven bewijsbewering B voor één religie, impliceren alle bewijsbeweringen van alle andere religies dat B onjuist is. [uit 4]
6 — Dus, voor B om juist te zijn, zou het waarschijnlijk iets speciaals moeten zijn, anders dan alle andere bewijsbeweringen, en bijzonder sterk. [uit 5]
7 — Maar al de verscheidene bewijsbeweringen voor alle religies zijn van dezelfde soort.
8 — En geen van de bewijsbeweringen voor enige religie is bijzonder sterk.
9 — Hieruit volgt dat elke gegeven bewijsbewering namens elke religie waarschijnlijk onjuist is. [uit 6-8]
10 — Aangezien de bewijsbeweringen elkaars tegengestelden zijn, [uit 4] en niet inconsistenties, is het mogelijk dat ze allen onjuist zijn.
11 — Dientengevolge zijn al de bewijsbeweringen van alle religies waarschijnlijk onjuist. [uit 9 en 10]
Aantekeningen
[1] H. L. Mencken, "Memorial Service," copyright 1922 by Alfred A. Knopf, Inc.; reprinted in Klemke, Kline and Hollinger, eds., Philosophy: The Basic Issues, (New York: St. Martin's Press, 1986), p. 279. Mencken's lijst is verre van volledig. W. Matthews, World Religions (1991), geeft tientallen meer goden en godinnen, waarvan sommigen tot maar één religie behoren.
[2] Bertrand Russell, "A Free Man's Worship" in Mysticism and Logic (New York: Doubleday Anchor Books, 1957), p. 44.
[3] William James, "The Will to Believe" in The Will to Believe and Other Essays, 1897.
[4] William James's advies beantwoord niet alleen de meest belangrijke vragen niet; vanwege haar berekenende aard is de ethische en religieuze degelijkheid van zijn raad dubieus, net als dat van Pascal’s weddenschap, waar het op lijkt.
[5] Pascal, Pensées, No. 233.
[6] Onverenigbaarheid is de logische relatie die bestaat tussen tegengestelde proposities, d.w.z. tussen elke twee proposities die niet beiden waar kunnen zijn, maar die beiden onjuist kunnen zijn. Het is duidelijk, dat als twee proposities of stellen proposities tegenstellingen zijn, de juistheid van één de onjuistheid van de ander impliceert (aangezien niet beiden juist kunnen zijn), maar dat de onjuistheid van één niet de juistheid van de ander impliceert (aangezien ze beiden onjuist kunnen zijn).
[7] Zie Michael Martin's Atheism: A Philosophical Justification (Temple University Press, 1990), pp. 199-202, voor een andere interpretatie van Hume over de bewijswaarde van beweerde wonderen in tegengestelde religies. Voor een verwant probabilistisch argument uit religieus pluralisme, zie J. L. Schellenberg's "Pluralism and Probability" in Religious Studies Vol. 33, Issue 2 (June 1997): pp. 143-159.
[8] David Hume, An Enquiry Concerning Human Understanding, ed. L. A. Selby-Bigge (Oxford: Oxford University press, 2nd edition, 1902), pp. 121ff.
[9] Toegegeven, Hume’s eigen voorbeelden van wonderen behoren allen tot het publieke domein. Toch maakt hij onderscheid tussen verhalen van private en publieke geschiedenis, en de toenemende moeilijkheid om onjuistheden in deze weergaven te detecteren, hoe verder die in tijd en ruimte van ons verwijderd zijn. En impliciet erkent hij de categorie van private wonderen als hij, in de laatste zin van zijn essay “Of Miracles” zegt dat iedereen die door geloof bewogen wordt de christelijke religie te aanvaarden “bewust moet zijn van een doorlopend wonder in zijn eigen persoon”. Zijn spreken over wonderen is in dit laatste geval niet slechts ironisch. Het wordt gerechtvaardigd door zijn definitie van een “wonder”.
[10] Karl Barth, "The Revelation of God as the Abolition of Religion," in Christianity and Other Religions, eds. John Hick and Brian Hebblethwaite (Glasgow: Collins, 1980), p. 44.
[11] Karl Rahner, "Christianity and Non-Christian Religions" in Christianity and Other Religions, p. 56.
[12] John Hick, God and the Universe of Faiths (London: Macmillan, 1977), p. 140. Hick wordt het best omschreven als een “religieuze apologeet” in plaats van “christelijke apologeet” vanwege zijn lang bepleite argument voor een inclusivistische kijk op verschillende religies: een die ze ziet als "verschillende menselijke percepties van, en antwoorden op dezelfde oneindige goddelijke realiteit,” vertegenwoordigend, zoals hij het stelt in Philosophy of Religion (Englewood Cliffs, New Jersey: Prentice-Hall, Inc., 3rd edition, 1983), p. 121.
[13] John Mackie, The Miracle of Theism (Oxford: Clarendon Press, 1982), p. 15.
[14] Mackie’s falen om onderscheid te maken tussen die betekenis van “geloof” waarin geloof een psychologische houding ten opzichte van een propositie is, en de betekenis waarin we het woord gebruiken om de propositie waarin geloofd wordt aan te duiden, is even verrassend als ongelukkig. Maar misschien is ze begrijpelijk. Want het schijnt dat de meeste filosofen er toe neigen wanneer ze schrijven over kwesties in religie-filosofie.
[15] Terwijl proposities tegengestelden zijn als ze niet beiden juist kunnen zijn, maar wel beiden onjuist kunnen zijn, zijn proposities inconsistenties als ze niet beiden juist kunnen zijn of beiden onjuist, in andere woorden als de juistheid van een de onjuistheid van de ander vereist, en de onjuistheid van een de juistheid van de ander. Hieruit volgt dat, aangezien er veel religies zijn waarvan de juistheidsbeweringen met elkaar conflicteren, iedere inconsistentie tussen hen de vorm moet hebben van een tegenstelling, niet van een tegenspraak.
[16] Overtuigingen en geloven zijn alleen logisch inconsistent als de proposities waarin geloofd wordt, of tegenstellingen zijn, of onderling in tegenspraak.
[17] Zie John Hick, Philosophy of Religion (Englewood Cliffs, New Jersey: Prentice-Hall, Inc., 3rd edition, 1983), p. 116.
[18] John Hick, Philosophy of Religion (Englewood Cliffs, New Jersey: Prentice-Hall, Inc., 3rd edition, 1983), p. 119.
[19] Hume’s manier om dit punt over te brengen is niet zonder tekortkomingen. Letterlijk genomen, is het een giller om van “tegengestelde feiten” te spreken. Als we met “feiten” bedoelen, zoals de meesten van ons tegenwoordig doen, wat gesteld wordt door juiste proposities, dan is Hume hier terminologisch onbekwaam. Feiten kunnen niet met elkaar in tegenspraak zijn, hoewel beweerde feiten dat kunnen. Laten we het daarom opvatten dat hij hiermee iets bedoelt als “tegengestelde beweerde feiten”.
_____
Copyright ©2007 Raymond D. Bradley. The electronic version is copyright ©2007 by Internet Infidels, Inc. with the written permission of Raymond D. Bradley. All rights reserved.

_________________________________________________________________________________
