
Constantijn de Grote (280-337)
De
oorsprong van het christendom is de joodse religie, het judaïsme. Het christendom
is een verdere ontwikkeling van het judaïsme en de vervulling van de joodse
profeties over een Messias in het Oude Testament. Dat die nieuwe religie snelle
en wijdverbreide populariteit won was hoofdzakelijk te danken aan de werking
van een goed georganiseerd en effectief Romeins keizerrijk en haar keizer
Constantijn, of liever, diens moeder.
Constantijns moeder was een christen, en zij had grote invloed op haar zoon. Toen Constantijn in het begin van de vierde eeuw het christendom omarmde, kwam die religie plotseling in het centrum te staan van de regering van het grootste en meest invloedrijke keizerrijk ter wereld, met een zeer effectieve bureaucratie. Al spoedig breidde het christendom zich uit, vanuit Rome tot over het hele mediterrane gebied. In het jaar 381, tijdens de regering van keizer Theodosius de Grote, werd het christendom een officiële staatsreligie en was de basis gelegd voor een verenigde christelijke cultuur.
De grondslag voor die religie wordt gevormd door een verzameling verschillende teksten, genaamd de Bijbel (van het Grieks tá biblía – de boeken), die de geschriften waren van een kleine Semitische stam van nomaden, de Hebreeën. Deze stam maakte deel uit van een groter Semitisch geheel van stammen, en leefde in het gebied Kanaän, het latere Palestina, waarschijnlijk omstreeks de 13e of 14e eeuw vC. Het precieze tijdstip is onbekend, aangezien er weinig archeologisch bewijs voor hen bestaat uit die tijd.
Het Oude Testament
De
teksten van de Bijbel zijn in twee delen verdeeld, het Oude en het Nieuwe
Testament. Het Oude Testament claimt de vroege geschiedenis en religieuze
mythen van het Hebreeuws/Joodse volk te vertellen. Maar in feite is het Oude
Testament een verzameling propagandateksten, door joodse priesters gemaakt om
het joodse volk te voorzien van de grootse en glorieuze historie die ze nooit
hebben gehad. Palestina, en de nomaden die daar woonden, werden door de
geschiedenis heen altijd bezet, geregeerd en beïnvloed door de machtige
culturen die hen omringden. Door Egypte, Babylon, Assyrië, Griekenland en de
Romeinen.
Het oorspronkelijke kleine staatje Israël dat in 884 vC gevormd werd, bestond slechts enkele decennia voordat het door de Assyriërs werd ingenomen. Na eeuwenlange onderdrukking en overheersing door hun machtige buren, ontwikkelden de Joden een sterk nationalisme, en messianistische profetiën en onrealistische dromen van politieke en militaire macht floreerden in de laatste eeuwen vC.
In deze stemming ontstonden de teksten van het Oude Testament , die plotseling “bewezen” dat de onderdrukte joden eens net zo’n glorieus verleden hadden als hun machtige bezetters en buren. Die teksten vertelden het verhaal van een machtig Israël en hoe het samen met zijn stamgod Jehova/Jahweh de ene na de andere glorieuze overwinning over zijn vijanden had behaald.
Deze megalomane fantasiën, nu geopenbaard in het nieuw geschreven “bewijs”, culmineerden in de onbezonnen Joodse opstanden in de eerste eeuw. Die opstanden werden natuurlijk snel neergeslagen door het formidabele Romeinse leger, en na de laatste opstand in het jaar 70 hadden de Romeinen er genoeg van en maakten ze Jeruzalem en zijn tempel met de grond gelijk. Het lijkt futiel en vreemd nu dat de joden dachten dat ze de machtige Romeinen konden bestrijden, maar ze waren begeesterd door de verhalen over hun glorieuze verleden en hun Almachtige God, en gelovend in de Messianistische profeties, vertrouwden ze er op dat de oorlogskoning Messias met zijn goddelijke leger uit de wolken zou neerdalen om de Romeinen van de aarde weg te vagen. Er stond immers geschreven dat hun God zijn uitverkoren volk in het verleden tot glorieuze overwinningen op hun machtiger tegenstanders had geleid , maar helaas berustten die verhalen op de verbeelding. Dit moet bij de overlevenden tot grote teleurstelling hebben geleid .
De mythen in het Oude Testament (OT) werden overgenomen van de omringende culturen. Het OT werd in het Hebreeuws geschreven en gecanoniseerd als het heilige boek van de Palestijnse joden, de Tenach. De definitieve vorm en inhoud van zowel het Oude als het Nieuwe Testament stonden vanaf het begin niet definitief vast, maar werden onderworpen aan verschillende besluiten van kerkbesturen in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Over een eerste versie van het OT werd men het eens ergens tussen de jaren 90 en 100. Deze versie bevatte 24 boeken, gelijk aan het aantal letters in het Hebreeuwse alfabet. Het huidige OT met zijn 39 boeken werd niet eerder vastgesteld dan in de vijftiende eeuw. Dit is ook de versie die door het protestantisme als gezaghebbend wordt aanvaard.
Verschillende
Bijbels

Ptolemaeus II (309-246 vC) en Arcinoë
In de loop van de geschiedenis hebben verschillende christelijke secten verschillende Bijbels gehad. Teksten die door één congregatie voor heilig en gezaghebbend werden gehouden, werden als hoogst verdacht aangemerkt door anderen, en werden dan niet deel van hun versie van de Bijbel. Tijdens de regering van Ptolemaeus II van Egypte (283-246 vC) werd volgens de overlevering het OT vanuit het Hebreeuws in het Grieks vertaald, aangezien de joden in Alexandrië het Hebreeuws niet meer verstonden. Volgens die overlevering werden de teksten in de bibliotheek van Alexandrië vertaald door 72 geleerden in 72 dagen. Daarom wordt die vertaling de Septuaginta genoemd, hetgeen zeventig betekent en waarnaar meestal gerefereerd wordt als de LXX (zeventig in Romeinse cijfers). Trouwens, ook het verhaal van de 72 geleerden is een mythe.
De joden verdeelden het OT in drie delen, de Wet (Thora) met de Pentateuch, de Profeten (Nebi’im) met de acht boeken van de profeten, en de Scripturen (Kethubim) met de resterende 11 boeken. Daarnaast hebben we nog de Apocriefen, teksten die nooit de Bijbel gehaald hebben (apocrypha betekent ‘verborgen’ in het Grieks). In de geschiedenis zijn de meningen over de Apocriefen vaak veranderd. Het katholieke Concilie van Trente in 1545-1563 besloot dat de Apocriefen, met uitzondering van het derde en vierde boek van Esdras en het Gebed van Manasseh, van gelijke waarde waren als de canonieke boeken. De protestantse kerk accepteert echter alleen het Palestijnse canon, en ziet de Apocriefen meer als een soort dubieus supplement van de Bijbel.
Monotheïsme?
Tegenwoordig
zijn judaïsme en christendom strict monotheïstische religies, maar zo zijn ze
niet begonnen. In de gemeenschappen waarin de verhalen van het OT ontstonden,
bestonden talloze goden. De joden en andere stammen in het gebied waren
oorspronkelijk polytheïstisch en vereerden verschillende goden en geesten.
Sporen hiervan vindt men nog steeds in de Bijbel, zoals hier bijvoorbeeld:
“Toen het volk zag, dat Mozes vertoog van den berg af te komen, zo verzamelde zich het volk tot Aäron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.Aäron nu zeide tot hen: Rukt af de gouden oorsierselen, die in de oren uwer vrouwen, uwer zonen, en uwer dochteren zijn; en brengt ze tot mij.Toen rukte het ganse volk de gouden oorsierselen af, die in hun oren waren; en zij brachten ze tot Aäron.En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.” (Exodus 32:1-4)
Een van hun godfiguren was de Semitische ‘El’ (Dagan) een figuur met een zeer grote penis. En zijn zoon Baal (zoon van Dagan) was een god van de vruchtbaarheid die ook door de joden vereerd werd. Na verloop van tijd werden El en de locale stamgod Yahweh/Jehova samengevoegd tot één god. De Hebreeën vereerden ook hemellichamen, natuurgoden, huisgoden, dierlijke goden (kalf, slang), heilige bomen, heilige bronnen en rotsen.
Alle verscheidene stammen in het gebied hadden hun eigen stamgod, die deel uitmaakten van een groter pantheon en de gemeenschappelijke mythologie in dat gebied. Jahweh/Jehova was oorspronkelijk een onbetekenende plaatselijke stamgod van de Hebreeuwse stam. Zolang deze stamgoden correct bejegend werden met de juiste offerandes, beschermden ze de stam, en hielpen ze de stam wanneer die oorlog voerde tegen de omringende stammen. De verhouding met de stamgod werd als een pact beschouwd, een pact tussen het mannelijke deel van de stam en de godheid (Bultman, 1970). De godheid bracht overwinningen op het slagveld en beschermde het vee en de oogst, en beheerste zelfs het weer. Als tegenprestatie verlangde de stamgod af en toe bloed offerandes, het slachten van een dier of kind (zie onder). Bloed werd gezien als levenskracht voor zowel Jehova als de joden, zonder bloedvergieting zou er geen vergeving en geen goddelijke genade zijn.
‘En nagenoeg alles wordt volgens de wet met bloed gereinigd, en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving.’ (Hebreeën 9:22)
‘Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.’ (Lev.17:11)
Het offeren van kinderen
Volgens
het Oude Testament is Jehova een uitzonderlijk bloeddorstige godheid, en hij
wordt trouwens in het algemeen niet uitgebeeld als een vrolijk en beminnelijk
figuur. Hij eiste bloed, en gedurende lange tijd eiste hij mensenbloed, meer
precies: het bloed van kinderen. (Edwien 1958:27) Sporen van het offeren van
kinderen door de joden vinden we terug in de verhalen van Abraham die bereid
was zijn zoon Izaäk te offeren (Gen 22:1), over de dochter van Jephta (Richt 11:1
en volgend) en de Mozaïsche wetten waar het offeren van kinderen wordt
vergeleken met het offeren van dieren:
"De HEER zei tegen Mozes: 'Wijd alle eerstgeborenen aan mij; alles wat bij de Israëlieten of bij hun vee als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe.' " (Exodus 13:1)
(Zie ook Exodus 22:29-30, Micha 6:7 en Ezech 20:25 en volgend). Alle eerstgeborenen, zowel mens als dier, moesten de Heer als offer worden geboden. Na verloop van tijd werd het offeren van eerstgeboren kinderen vervangen door een dierlijk of geldelijk offer (Exod 13:13 en Num 18:15). Het offeren van kinderen werd waarschijnlijk beoefend tot aan de zesde eeuw vC. (Edwien 1958:27)
Andere goden dan Jehova?
Uit het Oude
Testament blijkt duidelijk dat de Joden geloofden dat er andere goden bestonden
naast Jehova, maar die deden voor hen niet ter zake. Zelfs Paulus dacht dat er
meer goden waren dan Jehova (1Cor 8:5,6). Het eerste gebod geeft eveneens aan
dat het mogelijk is andere goden dan Jehova als favoriet te vereren. Dit zegt:
“Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.” (Exodus 20; Deut.
5:8) Het zegt niet: “Jehova is de enige God die er is”.
Hoe dan ook, met de tijd groeide de eens kleine stamgod uit tot een almachtige opperheer God, een alvermogende scheppende god die geen enkele andere god tolereerde. Hij eiste totale onderwerping en onverdeelde aandacht van zijn volk. Het belangrijkste voor Jehova, iets dat keer op keer overduidelijk herhaald wordt in de teksten, is geen andere goden dan hem te vereren. Het Joodse monotheïsme en het idee dat zij Gods speciaal uitverkoren volk waren, resulteerde in het meest extreme nationalisme van de Oudheid (Deschner 1986:82). De Romeinse historicus Tacitus schrijft dat de Joden in de herinnering zullen voortleven wegens hun fanatieke bijgeloof (pervicacia superstitionis) en als een door de goden gehaat volk (genus hominum…invisum deis).(Deschner 1986:82)
De Pentateuch

Deel van manuscript Leviticus, eind tweede eeuw (Egypte)
Over het
Pentateuch wordt beweerd dat deze rond de veertiende of dertiende eeuw vC
geschreven werd, en de Kerk claimt dat die aan Mozes geopenbaard werd. In
werkelijkheid is de Pentateuch veel jonger, en de meeste teksten werden
waarschijnlijk geschreven gedurende de laatste vijf eeuwen vC, door anonieme
auteurs. In de Pentateuch vinden we veel van de favoriete mythen die we kennen
van zondagschool, zoals de twee verschillende scheppingsmythen, Adam en Eva in
de hof van Eden, Kaïn en Abel, Noach en de zondvloed (twee versies), de toren
van Babel, Sodom en Gomorra, Mozes en de uittocht uit Egypte, de plagen van Egypte
en anderen. De Pentateuch bevat ook talloze strikte regels en voorschriften
voor de joden, waaronder de Tien Geboden.
Zowel de Pentateuch als de rest van het Oude Testament zijn duidelijk propaganda, door joodse priesters opgemaakt om de joden een groots en glorieus verleden toe te kennen. Geen van de verhalen in het Oude Testament wordt gesteund door enige andere bron of door archeologie. Veel van die verhalen zijn duidelijk mythen, ontleend aan andere en oudere beschavingen in dat gebied. Er bestaat geen bewijs voor de grote keizerrijken van koning David of zijn zoon Salomo. De Exodus heeft nooit plaatsgevonden, noch de grote veldslagen waarin de Hebreeën en hun god hun vijanden met honderdduizenden gelijk wegvaagden.
En Mozes dan?
Volgens
de bijbelse chronologie leefde Mozes ergens in de dertiende of veertiende eeuw
vC. De oudste delen van het Oude Testament werden, volgens orthodox
bijbelonderzoek, op zijn vroegst geschreven tijdens de negende eeuw vC. Dan kan
Mozes moeilijk de auteur hiervan geweest zijn, hoewel de Kerk nog steeds
beweert dat de Pentateuch aan Mozes geopenbaard werd. Het is op zijn minst
merkwaardig dat Mozes over zijn eigen overlijden zou schrijven en voortdurend
over zichzelf in de derde persoon sprak. Dat Mozes waarschijnlijk nooit een
bestaand persoon was, maakt alles ook niet veel duidelijker. Want er bestaat
absoluut geen enkel historisch bewijs voor het bestaan van de grootste joodse
leider aller tijden. Er bestaan geen inscripties over hem in hetzij steen, botten, brons, kleitabletten of
papyrus, of verwijzingen in plaatsnamen of in de traditionele legenden in dat
gebied, behalve in de Bijbel. Terwijl Mozes veel later geleefd zou hebben dan
veel Egyptische, Assyrische en Numerische heersers, die ons wel monumenten,
standbeelden, afbeeldingen, hiërogliefen en een overvloed aan inscripties
nagelaten hebben.
Het grootste deel van de Pentateuch werd door joodse priesters geschreven en samengesteld, op zijn vroegst in de vijfde eeuw vC. Ongeveer zestig hoofdstukken van Exodus, Leviticus en Numeri werden in de vijfde eeuw vC samengesteld, maar de definitieve selectie en samenstelling van de Pentateuch werd voor het eerst in het begin van de derde eeuw na Christus voltooid. Gedurende deze eeuwen waren een groot aantal heilige teksten geproduceerd, die geredigeerd, onderling vergeleken en geïntrapoleerd werden tot verschillende versies, voordat ze uiteindelijk hun weerslag vonden in de joodse Tenach, die op zijn beurt weer het christelijk Oude Testament werd.In die tijd was het schrijven van “profetische” teksten een populaire bezigheid onder religieuze tekstschrijvers. Deze “profeties” werden vaak gebaseerd op gebeurtenissen die al hadden plaatsgevonden, en de truc bestond er uit te beweren dat de teksten van oudere oorsprong waren dan ze in werkelijkheid waren.
De schrijvers van de teksten in het Oude Testament voegden mondeling overgeleverde verhalen, legenden en mythen in uit hun deel van de wereld, en vermengden ze met joods nationalisme en de daaruit ontstane megalomane fantasieën. In hun verhalen voegden ze ook historische figuren en plaatsnamen in om historische authenticiteit te suggereren.
Deze
teksten waren bedoeld om de joden hun eigen glorieuze verleden toe te kennen,
net zo glorieus als dat van de hen omringende culturen. De joden en Palestina
waren eeuwenlang overheerst geweest door
grote culturen als Egypte,
Griekenland, Babylon, Assyrië en tenslotte het Romeinse rijk. Voor het grootste
deel van hun bekende geschiedenis waren ze bezet en overheerst geweest door
anderen, en dit was waarschijnlijk de reden waarom extreem nationalisme en
megalomane fantasieën floreerden in de joodse samenleving. Tenslotte zouden
deze ook tot hun ondergang leiden. De joodse opstanden werden zo hardhandig
door de Romeinen neergeslagen dat dit tot de diaspora leidde.
De verschillende processen waarbij het Oude Testament tot stand gekomen is blijken uit de inconsistenties van de inhoud. Er zijn twee scheppingsmythen, twwe verslagen van de zondvloed (met verschillende tijdsduur), twee genealogieën van Adam, en drie verschillende tijdsduren voor de ballingschap in Babylonië, om maar eens enkele inconsistenties te noemen. Er staan talloze inconsistenties en onderlinge tegenspraken in de Bijbel. De huidige versie van het Oude Testament is gebaseerd op middeleeuwse vertalingen niet ouder dan uit de negende of tiende eeuw. Negentiende-eeuwse bestudering en analyses van het Oude Testament weerspraken de “heiligheid” van deze teksten. In weerwoord hierop vaardigde paus Pius X op 27 juni 1906 een encycliek uit (“De mosaica authentia Pentateuchi”) waarin de Katholieke Kerk het standpunt herhaalt dat de Pentateuch aan Mozes werd geopenbaard . Deze mening wordt niet gedeeld door huidige bijbelwetenschappers.
De ontdekking van de Dode Zee rollen (gedateerd 100 vC - 50 nC) in Qumran in 1947 openbaarde vele teksten van de vroege joods/christelijke sekte de Essenen, commentaren en teksten met voorschriften voor de sekte en fragmenten uit de Hebreeuwse Bijbel. Een versie van Jesja en een commentaar op Habakuk zijn de enige teksten die direct gerelateerd zijn aan de kanonieke Bijbel.
De Sumerische nalatenschap
Eén van
de culturen waaruit de schrijvers van de Oudtestamentische teksten rijkelijk
hun “inspiratie” geput hebben is de Sumerische beschaving van zuidelijk
Mesopotamië. De Sumeriërs vonden het schrijven uit en waren de werelds eerste
grote beschaving die we kennen. Deze cultuur floreerde in de valleien tussen de
twee grote rivieren Eufraat en Tigris, het gebied dat nu bekend staat als
zuidelijk Irak. De Sumerische beschaving bestond ongeveer 3000 jaar lang,
tussen het vijfde en tweede millennium vC. Ze bereikte haar gouden tijdperk
tussen 3000 en 2000 jaar vC. De Sumeriërs vonden het wiel uit, de ploeg,
irrigatie, zeilschepen, de kiel, de pottenbakkersschijf, en waren de eersten
die een boog konden bouwen en gebouwen van meerdere verdiepingen. Ze hadden een
geavanceerd juridisch systeem, ontwikkelden de wiskunde, astronomie en de
kalender. Onze definitie van tijd is nog steeds gebaseerd op het Sumerische
numerieke systeem dat gebaseerd was op 6 en 60, en ook onze verdeling van een
cirkel in 360 graden berust op hun systeem.

Sumerische kleitablet, 2600-2300 vC
Maar hun belangrijkste uitvinding, de eigenlijke basis van alle latere culturen en beschavingen, werd gedaan tegen het eind van het vierde millennium vC: de kunst van het schrijven. De Sumeriërs schreven hun spijkerschrift op kleitabletten met behulp van gedroogd riet. Honderdduizenden van deze kleitabletten zijn gevonden in archeologische opgravingen. Hoe meer van deze tabletten gevonden en geïnterpreteerd worden, hoe meer van de verhalen en motieven in het Oude Testament er in hun oorspronkelijke vorm tevoorschijn komen. De meeste van deze kleitabletten zijn minstens duizend jaar ouder dan de vroegste teksten in het Oude Testament. De Sumerische beschaving had enorme impact en vormde het model voor latere grote beschavingen.
_____
Bron: http://www.bandoli.no/historyofchristianity.htm

______________________________________________________________________
