visitors on myspace
Moraal zonder God | POSITIEF ATHEÏSME <>

Moraal zonder God

Tien Geboden

Mozes met de Tien Geboden


Chapman Cohen   
Click here for this article in English


   Het christendom is wat men een “geopenbaarde” religie noemt. Dat wil zeggen dat God zelf die religie aan de mens geopenbaard heeft. In andere religies zocht de mens naar God – een god – en vond die te zijner tijd, of dacht die gevonden te hebben. In het geval van het christendom zocht God de mens en openbaarde zich aan hem. Die openbaring, te oordelen naar de gebeurtenissen sindsdien, werd niet erg goed gedaan. Want hoewel er een boek verscheen waarvan gezegd werd dat het door God gedicteerd of geïnspireerd was, zodat de mens zijn wil zou leren kennen, heeft de mensheid sindsdien altijd in twijfel verkeerd over wat God nu eigenlijk bedoelde toen hij dat zei. Klaarblijkelijk staat Gods manier om zichzelf door openbaring bekend te maken niet boven kritiek verheven. Het lijkt weinig zinvol de mensheid een openbaring te schenken die zij niet kan begrijpen. Het is als een lezing in Grieks te houden voor een gehoor dat niets anders dan Nederlands verstaat. 

 Wat heeft God aan de mens geopenbaard? Hij heeft geen wetenschap geopenbaard. De hele structuur van natuurwetenschappen werd heel geleidelijk en experimenteel door de mens zelf opgebouwd. Hij heeft de mens niets geleerd over geologie, of astronomie, of scheikunde, of biologie. Hij heeft hem niet geleerd om ziektes te bestrijden, of over de aard of genezing daarvan. Hij heeft hem niet geleerd het land te bewerken, of hoe wild gras gecultiveerd kan worden in leven voedende tarwe. Hij leerde de mens niet hoe een moeras te draineren, of hoe een kanaal te graven zodat hij het water daar kon brengen waar het nodig was. Hij leerde hem niet te rekenen, of wiskunde. Hij leerde hem niets over kunst en wetenschap. De mens kreeg geen openbaring hoe hij de stoommachine moest bouwen, of het vliegtuig, de duikboot, de telegraaf of de radio. Al deze, en een duizend andere dingen die wij als onmisbaar beschouwen, en waarzonder beschaving onmogelijk is, moest de mens voor zichzelf uitvinden. Er bestaat tegenwoordig geen geestelijke die zou durven zeggen dat God de mens deze dingen gaf. Hoewel, dat is misschien niet helemaal waar. Sommige geestelijken willen beweren dat God alles aan de mens gaf, in zoverre dat hij het hem liet uitvinden. Maar in ieder geval zijn geen van de dingen die ik hier opnoem, aan de mens geopenbaard. Hij moest alles zelf ontdekken of uitvinden. En in dat ontdekken en uitvinden gedroeg hij zich alsof hij nog nooit van God gehoord had.

 Wat bleef er dan nog over voor God om aan de mens te geven? Wel, zegt men, hij gaf hem moraal. Hij gaf de mens de Tien Geboden. Hij zei hem niet te stelen, hij moet niet moorden, hij moet geen valse getuigenis afleggen; hij vertelde kinderen hun vader en moeder te eren, maar hij vergat de zeer noodzakelijke les dat ouders ook hun kinderen moeten eren. En met deze dingen combineerde hij het gebod dat de mens hem moest eren, en daarover was hij meer nadrukkelijk dan over al het andere. Hem niet te eren was een onvergefelijke misdaad. Maar, en dit is het belangrijkst, hoewel er geen noodzaak bestaat voor een geïnspireerde rekenkunde of een geïnspireerde meetkunde, en hoewel er geen geïnspireerde scheikunde of geologie bestaat, moest er blijkbaar wel een geïnspireerde moraal komen, omdat zonder God morele wetten geen gezag zouden hebben, en het fatsoen uit de samenleving zou verdwijnen.

 Dit nu, om het botweg te zeggen, is de grond waarop de bewering steunt dat moraal afhankelijk is van religieus geloof. Het wordt niet altijd zo klip en klaar gesteld als ik nu doe – heel absurde dingen worden zelden duidelijk gesteld – maar het wordt door de man in de straat, en door de beroepsevangelist zo gesteld. Het wordt ook op een andere manier voorgesteld, door mensen die er prat op gaan ons te vertellen hoe slecht ze waren voordat Jezus vat op hen kreeg, en het wordt zo gesteld in kostbare boekwerken waarin christelijke schrijvers en predikers deze bewering zo inpakken dat het voor de onoplettende lezer lijkt alsof er enige waarheid in schuilt, of dat het tenminste onbegrijpelijk genoeg is om voor goed gefundeerde theologische filosofie door te gaan.

 Is de theorie inherent geloofwaardig? Overweeg wat die betekent. Moeten we geloven dat als we nooit een openbaring van God hadden ontvangen, of zelfs als er geen geloof in God was, een moeder nooit zou hebben geleerd om van haar kind te houden, dat mannen en vrouwen elkaar nooit zouden liefhebben, dat de mens nooit enige waarde zou hebben gehecht aan oprechtheid, aan waarheidsliefde of trouw? Tenslotte hebben we bij dieren de moederlijke zorg voor haar jongen gezien, zelfs in die mate dat ze daarvoor haar leven in de waagschaal wil stellen. We hebben dieren elkaar zien verdedigen tegenover een gemeenschappelijke vijand, en hun krachten bundelen in hun jacht op prooi voor een gemeenschappelijk maal. Dieren kennen een tijd van hofmakerij, een tijd van paren, en er bestaat een tijd, hoe kort dan ook, van een dierlijk gezin van mannetje, vrouwtje en jong. En dit gebeurt allemaal bij dieren die nog nooit van God hebben gehoord. Waarom zou de mens dan een openbaring moeten ontvangen voordat hij het morele peil van de hogere diersoorten kan bereiken?

 In het algemeen dus, de bewering dat moraal voor menselijke wezens nooit zou hebben bestaan zonder een geloof in God, of zonder openbaring door God, staat gelijk aan het zeggen dat de mens op zichzelf nooit de waarde van waarheid, eerlijkheid en trouw zou hebben ontdekt. Zelfs de woorden goed en slecht zouden aan zijn woordenschat ontbreken, want die woorden impliceren morele beoordeling, en die zou dan niet bestaan – tenminste, zo zegt men.

 Ik druk dit gegeven in zeer duidelijke taal uit, omdat het de christen alleen door duidelijke taal te vermijden lukt om ongestraft zulke monsterlijke en dwaze stellingen te verkondigen. Ik zeg in duidelijke woorden wat door duizenden en duizenden predikers gezegd wordt sinds Paulus het principe formuleerde dat als er geen opstanding uit de dood zou zijn: “Laten we eten en drinken, want morgen sterven wij.”

 Soms wordt de theorie die ik hier naar voren breng op zo’n manier gesteld dat ze de orthodoxe voorstelling van moraal pas werkelijk goed aan het licht brengt. Het is zo overduidelijk absurd te stellen dat zonder religie de mens het goed niet van het kwaad zou kunnen onderscheiden, dat het maar nauwelijks gedekt wordt door de uitdrukking: “Vernietig religie, dan heb je alle morele beperkingen losgelaten.” Beperkingen inderdaad! Die uitdrukking is inderdaad een openbaring. Voor de orthodoxe christen betekent moraal dus niets anders dan een aantal beperkingen, en beperkingen zijn onplezierig, want die weerhouden de mens ervan dingen te doen die hij graag zou willen doen. Het  dingen doen of laten in weerwil van zijn impulsen is wat de mens bewust maakt van “beperkingen”. Een zakkenroller in een menigte beperkt zich in de wetenschap dat er dicht bij een politieman loopt. Een inbreker beperkt zich ervan in een huis in te breken als hij de voetstappen van een politieagent hoort. Iedereen wordt ervan weerhouden dingen te doen die hij graag zou willen doen omdat hij zich bewust is van beperkingen. Die beperking kan God zijn; het kan ook een politieagent zijn. God is een altijd wakende politieagent – ik zeg niet een onomkoopbare, omdat de hoeveelheid geld die jaarlijks aan zijn vertegenwoordigers gegeven wordt, en de kerken die gebouwd worden of waaraan geschonken wordt in de hoop “zich met God te verzoenen”, bij elkaar een aanzienlijke som geld vertegenwoordigen.

 Gezien vanuit deze optiek, worden wat we morele regels noemen op dezelfde wijze nageleefd als we de regel naleven dat we geen chocola mogen kopen na een bepaald uur ’s avonds. Aan die regel onderwerpen wij ons vanwege de “sancties” die toegepast kunnen worden als we dat niet doen. Dus voor het type christen waarmee we hier te maken hebben, is de kwestie van goed of kwaad er uitsluitend een van dwang van buitenaf. Als hij niet gehoorzaamt wordt hij bestraft, als het hier niet is, dan wel in het hiernamaals. Hij vraagt: “Waarom zou een mens zichzelf beperkingen opleggen als er geen toekomstig leven bestaat waarin men beloond of gestraft wordt? Waarom zouden we onszelf dan niet gewoon vermaken?” Zo gezien zou een dronkaard nuchter kunnen blijven vanaf maandagmorgen tot aan vrijdagavond met de belofte van een goed drinkgelag op zaterdag. Maar bij gebrek aan dat vooruitzicht zou hij kunnen zeggen, Paulus parafraserend, “Als we op zaterdag niet dronken kunnen worden, waarom zouden we dan van maandag tot vrijdag nuchter blijven? Als we zaterdag niet dronken kunnen worden, laten we dan dronken worden nu het nog kan, want de tijd zal komen dat we helemaal niet meer dronken kunnen zijn.”

 Maar dit alles is helemaal fout. De gewone mens is zich niet van beperkingen bewust wanneer hij zich op fatsoenlijke wijze gedraagt. Een moeder is zich niet van beperkingen bewust wanneer zij zich wijdt aan de verpleging van haar zieke kind, of uit werken gaat om het van voedsel te voorzien. Een man die alleen achterblijft in het huis van een vriend is zich niet van beperkingen bewust wanneer hij er van afziet het zilver in zijn zak te steken, of de portemonnee te stelen die op de schoorsteenmantel is blijven liggen. Iemand die naar de bank gestuurd wordt om een cheque te incasseren voelt zich niet beperkt omdat hij met het geld moet terugkomen. Iemand die zich bewust is van een beperking wanneer hij iets goeds doet, is helemaal geen “goed” mens. Hij is potentieel een crimineel die geen misdaad begaat omdat hij bang is gepakt te worden. En als hij gepakt wordt, wordt de overeenkomst tussen de christen die alleen uit angst aan de buitenkant fatsoenlijk is, en de zakkenroller in de greep van een politieagent, nog duidelijker door de uitroep: “O Heer, heb genade met deze ellendige zondaar” door de eerste, en “Pech gehad!” door de laatste.

 De religieuze theorie van moraal is onbevredigend. Het maakt een “mysterie” van iets dat fundamenteel eenvoudig is, en verheft dan dat mysterie tot een dwaas dogma. Het spreekt uitgebreid over het probleem van het kwaad, terwijl buiten de theologie dat probleem niet bestaat. Het probleem van het kwaad is dat het bestaan ervan onmogelijk in overeenstemming te brengen is met het bestaan van een almachtige en goede God. Maar het is juist het idee van een God dat de onoplosbare tegenstelling veroorzaakt. Het morele vraagstuk is dan niet hoe de mens er in slaagt kwaad te doen, maar hoe hij moet uitvinden wat goed is. Als een kind leert fietsen is het probleem niet hoe het er af moet vallen, maar hoe het er op kan blijven. We kunnen er af vallen zonder enige ervaring. Dus met zoveel mogelijkheden om verkeerde dingen te doen, is het morele vraagstuk hoe de mens op de juiste oplossing is gekomen, en hoe hij in bepaalde mate automatisch op het rechte pad blijft.

 In de filosofie van de orthodoxe christen is de mens een potentieel crimineel, die alleen van werkelijke criminaliteit weerhouden wordt door de vrees voor bestraffing, of de verwachting van beloning in een toekomstig leven. Als de christelijke prediker van moraal dit niet werkelijk bedoelt wanneer hij zegt dat zonder het geloof in God “morele waarden” niet bestaan, en dat als er geen hiernamaals zou bestaan waar beloning en bestraffing wachten, een morele levenswijze zou ophouden te bestaan, dan vergist hij zich niet alleen, dan is hij een opzettelijke leugenaar. Gelukkig voor de wereld zijn veel christenen, zowel voorgangers als leken, beter dan hun credo. 

 En zo komen we terug bij de oude en eenvoudige kwestie van het natuurlijke, als tegengesteld aan het bovennatuurlijke. Dit is een van de oudste geschillen in het menselijk denken, en er bestaat geen logisch compromis tussen de twee. De moraal vindt zijn grondslag of in het natuurlijke, of in het bovennatuurlijke. Met het vaststellen van het eerste alternatief bedoel ik niet te impliceren dat er moraal bestaat in de natuur zelf. Die is er niet. De natuur trekt zich net zo min iets aan van onze regels en beoordelingen als het zich iets gelegen laat aan onze smaak in kunst of literatuur. Een mens wordt niet gezegend met een goede gezondheid omdat hij een toonbeeld van verheven moraal is, noch wordt hij door ziekte geplaagd omdat hij misdadig in denken en handelen is. De natuur is noch moreel, noch immoreel. Zulke termen zijn uitsluitend toepasbaar wanneer er een bewuste actie bestaat om een bepaald doel te bereiken. De natuur is amoreel, dat wil zeggen ze is zonder moraal. Het veelgebruikte gezegde dat de natuur ons beloont of bestraft voor het een of ander is alleen een poëtische manier om iets te zeggen; het heeft geen letterlijke relatie tot een werkelijk feit. In de natuur bestaan geen beloningen of bestraffingen, er zijn alleen acties en gevolgen. We trekken er profijt van als we op een bepaalde manier handelen; we lijden eronder als we op een andere manier handelen. Dit is een natuurlijk feit; er bestaat geen ethische kwaliteit in natuurgebeurtenissen. Op de moraal gebaseerde wetten zijn menselijke creaties; ze staan op gelijk niveau met de “wetten” van de wetenschap – dat wil zeggen, ze zijn de generalisaties van ervaring.

 De moraal bestond dus in feite al lang voordat ze gedefinieerd werd, of in theorieën beschreven. De mens hoefde niet eerst de wetten van de fysiologie te ontdekken om zich de noodzaak voor eten en ademhalen te realiseren, of voor het verteren van voedsel en het inhaleren van zuurstof. Ook waren het niet de geboden “Gij zult niet doden” en “Gij zult niet stelen” etc. die voor het eerst bepaalden dat stelen en moorden verkeerd zouden zijn. Een morele wet maakt in theorie expliciet wat in feite al impliciet aanwezig is. Het feit creëert de regel; het is niet de regel die het feit creëert.

 Het niet erkennen van deze simpele waarheid is de belangrijkste oorzaak van de onzin die zoveel verkondigers van ethiek opdienen, en ook voor de domme aanvallen op de ethiek door diegenen die zich gerechtigd voelen morele waarden in hun geheel af te wijzen omdat ze niet tevreden zijn over de bestaande standaard van morele waarden. Zoals we later zullen zien verhouden morele regels zich tot de menselijke gemeenschap op nagenoeg dezelfde wijze als de wetten van de fysiologie tot het individuele organisme. Ze vertegenwoordigen de fysiologie van sociaal leven, met dat onderscheid dat welke regels we ook hebben, die van tijd tot tijd naar vorm gewijzigd moeten worden om aan veranderde omstandigheden tegemoet te komen.

 Laten we eens geleidelijk onze weg proberen te vinden, op een zo eenvoudig mogelijke manier. We beginnen met de betekenis van twee woorden, “goed”” en “slecht”. Wat is hun betekenis? Er bestaan veel religieuze schrijvers, en velen van hen streven er naar religie op ethiek te baseren – alsof de associatie van religie met morele voorschriften al niet genoeg kwaad in de wereld heeft gebracht – die over bepaalde acties zeggen dat ze inherent goed zijn, en die verering van het “Goede” aanbevelen alsof het een substituut voor “God” zou zijn. Er zijn anderen die zichzelf geweldig opblazen met een bijzonder dwaze passage van Tennyson, namelijk dat het goede te volgen omdat het goed is, “wijsheid ongeacht de consequenties” zou zijn, en er wordt een zeer misleidende zin geciteerd van de filosoof Immanuël Kant, waarin hij zijn “ontzag” uitdrukt voor het moreel gevoel van de mens. We moeten altijd voorzichtig zijn wanneer de uitspraken van beroemde mensen populair worden. Er bestaat grote kans dat ze uitdrukking geven aan iets dat niet zo verstandig is, of dat zijn wijsheid verloren geraakt is in de popularisatie.

 Het moet overduidelijk zijn dat het een toppunt van stommiteit zou zijn om dingen te doen “ongeacht de consequenties”, daar het juist de consequenties van daden zijn die hun kwaliteit van goed of kwaad bepalen. Als het dronken worden mensen gelukkiger, beter en wijzer zou maken, zou iemand dronkenheid dan als iets slechts beschouwen? Onder die condities zou de morele regel zijn, “Gezegend is hij die dronken wordt”, en hoe meer dronken hij was, hoe beter hij zou zijn. Als we ons daden kunnen voorstellen die zonder gevolgen zijn, dan staan die helemaal buiten de reikwijdte van de moraal.

 Het eerste dat we moeten onthouden is dat iets goeds niet bestaat in het abstracte. Iets is goed in relatie met zijn gevolgen, of als het een doel verwezenlijkt waarnaar wij streven. Tennyson uitte nonsens. Die ethische en religieuze filosofen die zwetsen over de “realiteit” van goed op zich, kletsen nonsens. Het is niet mogelijk om goed te doen ongeacht de gevolgen omdat het de gevolgen zijn die een daad hetzij goed of slecht maken. Het kan onplezierig of gevaarlijk zijn om het goede te doen, en we bewonderen degene die onder die omstandigheden het goede doet, maar dit heeft geen effect op onze normen.

 Als we zoeken naar een natuurlijke basis voor moraal moeten we ook voor ogen houden dat – als de teleologische taal even mag worden toegestaan – de natuur maar één ding vraagt van levende wezens. Dat is doelmatigheid. De “morele” hoedanigheid van die doelmatigheid doet er helemaal niets aan toe. Een kerk zonder bliksemafleider verkeert in het nadeel ten opzichte van een bordeel dat er wel een heeft. Iemand die zijn leven waagt voor een goed doel heeft, verder alles gelijk zijnde, geen voordeel over iemand die zijn leven in de waagschaal stelt voor een slecht doel. De kwestie van doelmatigheid terzijde latend, wordt er niet de geringste aandacht geschonken aan iets dat wij als moreel waardig zien in het organisme dat overleeft.

  Tenslotte, in het geval van levende wezens moet doelmatigheid worden uitgedrukt in termen van aanpassing aan het leefmilieu, van een vis aan het water, van een luchtademend dier aan het land, van een vleesetend dier aan de vaardigheid om een prooi te besluipen, van een planteneter aan eigenschappen die het in staat stellen aan de aanvallen van roofdieren te ontsnappen, en zo voort. Een dier overleeft als het in staat is zich aan te passen, of het aan zijn omgeving aangepast is geworden. We doen er goed aan dit principe van doelmatigheid voor ogen te houden, want hoewel datgene wat doelmatigheid inhoudt van tijd tot tijd kan variëren, blijft het feit overeind dat aanpassing de hoofdvoorwaarde voor overleving is, of we nu met organische structuur te maken hebben, of met geestelijk leven.

 Als we de ethische terminologie bezien wordt duidelijk dat de gebruikte taal een relatie impliceert, en wel van een zeer bepaalde soort. Het deel van onze omgeving waaraan deze termen gerelateerd zijn is dat van de soortgelijke mede-individuen. Vriendelijkheid, oprechtheid, gerechtigheid, genade, eerlijkheid, etc., impliceren dit allemaal. Eén mens op zichzelf – als we ons zoiets kunnen voorstellen – zou niet aardig kunnen zijn; er zou niemand wezen om aardig tegen te zijn. Hij zou niet oprecht kunnen zijn; er zou toch niemand zijn waaraan hij een leugen kon vertellen. Hij zou niet eerlijk, of gul, of loyaal kunnen zijn; er zou niemand zijn waarop deze kwaliteiten gericht konden worden. Iedere morele kwaliteit impliceert het bestaan van een groep waarvan het individu deel uitmaakt. En als de groep groter wordt vinden de morele kwaliteiten een wijdere toepassing. Maar het kardinale feit dat ethische kwaliteiten, of ze nu goed of slecht zijn, geen betekenis hebben buiten het groepsleven, blijft altijd van kracht.

 Laten we nu eens terugkeren naar de mens als theoretisch solitair dier, een conditie die nergens bestaan heeft, want de groepsvorming van de mens is slechts een verdere stap vanuit de kuddevorming in de dierenwereld waaruit hij is voortgekomen. Maar als dier moet hij bepaalde gewoonten en voorkeuren ontwikkelen, gewoon om te kunnen bestaan. Op een of andere manier moet de mens dingen zien te vermijden die zijn bestaan bedreigen. Zelfs waar het voedsel betreft moet hij een smaak ontwikkelen voor dingen die het leven in stand houden, en een afkeer van dingen die het vernietigen; en in feite bestaan er lichamelijke ontwikkelingen die in het geval van voedsel bescherming bieden tegen dingen die levensgevaarlijk zijn. Want het is overduidelijk dat als de mens blauwzuur lekker zou gaan vinden, zo’n voorkeur niet erfelijk zou kunnen worden. 

 Menselijk leven, net als dierlijk leven in het algemeen, moet niet alleen een afkeer ontwikkelen voor dingen die levensbedreigend zijn, maar ook een voorkeur voor het tegengestelde. De ontwikkeling van die capaciteit betekent dat op de lange duur die acties die plezier bevorderen, en die welke leven in stand houden, ongeveer overeenkomen. Dit is de grondslag en de evolutionaire basis van de utilitaristische theorie, of zo u wilt, van het neo-utilitarisme.

 Dus de mens bestaat nooit als alleenstaand individu, iemand die voor zichzelf moet vechten, en wiens gedachten en neigingen , bewust of onbewust, alleen betrekking hebben op zijn eigen welzijn. De mens is altijd lid van een groep, en het feit van samenleving met anderen alleen al dwingt bij het individu een soort discipline af die zijn ontwikkeling in een bepaalde richting stuurt. De wet van het leven is dat een organisme aangepast moet zijn aan zijn omgeving om te kunnen leven, en het belangrijkste deel van die omgeving wordt hier gevormd door medewezens. Die aanpassing hoeft niet volmaakt te zijn, evenmin als het voedsel dat hij eet het meest voedzame moet zijn. Maar net zoals het gegeten voedsel voldoende voeding moet leveren om leven in stand te houden, moet gedrag zodanig zijn dat een bepaalde mate van harmonie in stand kan worden gehouden tussen het individu en de rest van de groep waartoe hij behoort. Als de aard van het individu zodanig is dat hij zich niet wil of kan aanpassen aan zijn medemens, dan werd hij in één stadium van de beschaving gedood, en in een ander onderworpen aan bestraffingen en verscheidene soorten beperkingen om zijn asociale neigingen in bedwang te houden. Er bestaat een selectief proces in alle gemeenschappen, en in de lagere gemeenschappen zelfs meer rigide dan in de hogere, waarin degenen die slecht aangepast zijn aan het gemeenschappelijk leven in de groep, zelfs benadeeld worden in het verwekken van hun eigen soort.

 En gelijktijdig met dit proces van selectie binnen de groep is er op grotere schaal nog een eliminerend proces gaande, dat van competitie tussen groepen. Een groep waarvan de leden weinig blijk geven van gezamenlijke acties van loyaliteit ten opzichte van elkaar, is het meest waarschijnlijk  om onderworpen te worden, of te worden vernietigd en vervangen door een groep waarin de cohesie groter is, en de onderschikking van zuiver individualistische tendensen aan het belang van het geheel groter.

 De aard van het proces waardoor de mens een moreel dier geworden is, is daarmee gegeven. Sociaal leven is op zichzelf een soort leerschool, een opleiding die de mens geschikt maakt om met zijn medemens om te gaan, met ze te leven, tot wederzijds voordeel. Er bestaan regels voor het sociaal spel die het individu in acht moet nemen als hij als lid van de stam wil leven. De mens is zich in het algemeen niet bewust van de discipline waaronder hij leeft, maar noch is enig dier zich bewust van het proces van de krachten die het aan zijn omgeving aangepast hebben. Het moraliseren van de mens is nooit een bewust proces, maar het is niettemin een herkenbaar proces.

Ook mag worden opgemerkt dat er in primitieve gemeenschappen met grotere nauwgezetheid werd toegezien op de regels van het sociale spel dan het geval is in latere gemeenschappen. Het is nogal een vergissing te denken dat het leven van wilden onbelemmerd was, terwijl dat van de beschaafde mens gebonden is aan allerlei sociale en legale regels. Juist het tegengestelde is waar. Het leven van de ongeciviliseerde mens was gebonden aan gewoonten, aan taboes, die weinig ruimte lieten voor initiatief, en die voor een geciviliseerd mens ondraaglijk zouden zijn.

 Maar vanaf de vroegste tijden is er altijd een systeem werkzaam geweest dat ertoe neeg de slecht aangepaste te elimineren uit het sociaal verkeer. Echte deelname aan het gemeenschapsleven vraagt meer dan alleen het afzien van schadelijke acties, het vraagt een positieve bijdrage aan het leven van het geheel. Het soort gedrag dat niet overeenstemt met de algemene sociale karakteristieken van de groep wekt irritatie op, net zoals een vreemde stof dat doet wanneer die in aanraking komt met orgaanweefsel. Zodoende hebben we aan een kant een systeem dat conformiteit met de sociale structuur afdwingt, en aan de andere kant een revolutionaire tendens die streeft naar verdere verbetering.

 Er moet nog met andere factoren  rekening worden gehouden, als we de krachten die het karakter vormen werkelijk naar waarde willen schatten, en een geaccepteerde morele code opstellen. In toenemende mate wordt het milieu waaraan het menselijk wezen zich moet aanpassen er een van ideeën en idealen. Er bestaan bepaalde idealen van oprechtheid, van loyaliteit, gehoorzaamheid, vriendelijkheid etc., krachten waarmee men al vanaf het moment van de geboorte omringd wordt. De gemeenschap die hem de taal geeft die hij spreekt, en de opgeslagen kennis die het bezit, voorziet hem ook van idealen die hem min of meer dwingen zijn leven daarnaar in te richten.

 Er bestaan eindeloos veel verschillen in deze vormen van sociale idealen, maar ze zijn van dezelfde snit van geestelijk leven, vanaf het taboe van de wilde tot aan de meest verfijnde cultuur.

 De laatste fase van morele aanpassing is die welke plaats vindt tussen groepen. Vanaf de beperkte familiegroep waaraan we morele verplichtingen hebben, gaan we verder naar de stam, en daar vandaan naar de groep stammen die de natie vormen, en dan naar een stadium waarin we op het terrein komen van de relaties tussen naties, een stadium dat bij uitbreiding morele verplichtingen aan de gehele mensheid behelst.

 Maar in welk verband we het ook bezien, de essentie van moraal is de aanpassing van gevoelens en ideeën aan de menselijke groep, en aan de dierengroep voor zover we daarmee een relatie zijn aangegaan. Er is geen verandering in de fundamentele aard van moraal. Het leidend beginsel is altijd, zoals ik al eerder zei, doelmatigheid, maar het is een doelmatigheid waarvan de aard bepaald wordt door de verhoudingen tussen groepen menselijke wezens.

 Als we het voorgaande aanvaard hebben, zal men begrijpen wat bedoeld wordt met het gezegde dat de betekenis van morele wetten voor de sociale groep hetzelfde is als de wetten van fysiologie voor het individuele organisme. Er is niets dat bewondering of mystificatie oproept over morele wetten; ze geven slechts uitdrukking aan de fysiologie van het sociale leven. Het zijn deze wetten die zich in de praktijk al manifesteerden lang voordat ze in definitieve termen werden uitgedrukt. Menselijk gedrag, zoals dat in de dagelijkse praktijk tot uitdrukking komt, of geformuleerd ligt in “wetten”, geeft uitdrukking aan de condities waaronder sociaal leven mogelijk en profijtelijk is. Het is deze erkenning die de wetenschap van de moraliteit vormt en die de omstandigheden schept die het verrichten van gewenste acties bevorderen. Het ontwikkelen van gewenste gevoelens is wat moraliteit inhoudt.

 Tenslotte, in de ontwikkeling van de moraal, net als in al het andere, creëert de natuur zeer weinig dat absoluut nieuw is. Het brengt weer tevoorschijn wat al bestond. Dat is de weg van alle evolutie. Gevoelens over wat goed is en wat verkeerd worden geleidelijk verspreid van de groep naar de stam, van de stam naar de natie, van de natie naar de hele menselijke gemeenschap. 

 De menselijke omgeving waaraan de mens zich moet aanpassen wordt steeds groter. “Mijn naaste” betekent niet meer alleen mijn relatie met degenen die mij onmiddellijk omringen, maar wordt uitgebreid tot allen waarmee ik op welke manier dan ook te maken krijg. Het is dat stadium dat we nu binnengaan, en veel van de strijd in de wereld is te wijten aan de pogingen om de reeds bestaande gevoelens aan te passen aan deze veel wijdere omgeving. De wereld is in barensweeën. Of de beschaving deze weeën zal overleven is nog niet duidelijk, maar de aard van het proces is duidelijk voor diegenen die het verleden begrepen hebben, en die in staat zijn haar lessen toe te passen op het heden en de toekomst.

 Daarom is er niets mysterieus aan het feit van moraliteit. Er is hier niet meer ruimte voor het bovennatuurlijke dan er ruimte voor is in de kunsten en wetenschappen. Moraal is een natuurlijk feit; het wordt niet geschapen door de formulering van wetten; deze drukken alleen haar bestaan uit en ons gevoel van hun waarde. Het morele gevoel creëert de morele wet, en niet het omgekeerde. De moraal heeft niets te maken met God; ze heeft niets te doen met een toekomstig leven. Haar invloedssfeer en werking is in deze wereld; haar autoriteit wordt ontleend aan het gezond verstand van de mensheid, en is geboren uit de noodzaak om samen te leven. In deze kwestie, zoals in veel andere, wordt de mens op zichzelf terug geworpen en als het proces van verandering langzaam is, troosten we ons aan de overweging dat de groei van kennis en begrip de macht binnen ons bereik gebracht heeft om het menselijk leven veel grootser en beter te maken. Als we willen!

____


Bron: http://www.positiveatheism.org/tochcohn.htm

BAADE022-0571-424E-A133-C5A92933C418
__________________________________________________________________________________________________

Zie ook:

   ➤ Frank R. Zindler: 'Ethiek zonder goden'

   ➤ Raymond D. Bradley: 'Een moreel argument voor atheïsme'

   ➤ Robert G. Ingersoll: 'De Bijbel als morele gids?'

Meer van deze auteur:

   ➤ 'Godheid en ontwerp'


Alle vertalingen van artikelen © 2005-2010 Peter van Montfoort