visitors on myspace
Godheid en ontwerp | POSITIEF ATHEÏSME <>

Godheid en ontwerp

universum


Chapman Cohen
 
  Click here for this article in English 

     

   Het enige dat vaststaat in de geschiedenis van het menselijke intellect is dat het vanuit onwetendheid groeide tot kennis. De mens begon met niets te weten over zijn eigen aard of over de wereld waarin hij leefde. Vervolgens verwierf hij hier en daar een beetje kennis, waardoor zijn inzicht zich verbreedde en zijn begrip verdiepte zich naarmate zijn kennis groeide. Als de mensheid zou zijn begonnen met maar een heel klein deel van de kennis waarover ze nu beschikt, dan zou de huidige conditie van de menselijke geest aanzienlijk verschillen van wat die nu is. Maar de methode waarmee kennis werd vergaard was de langzaamst mogelijke. Het ging door middel van proberen en falen, vallen en opstaan. Blunders werden snel gemaakt, en maar langzaam hersteld; sommige van de meest primitieve misvattingen zijn zelfs nu nog steeds niet op grote schaal hersteld. De mens begon met te geloven, op grond van wat eerst goed bewijs leek, dat de aarde vlak was, om later uit te vinden dat ze een bol is. Hij geloofde dat de hemel massief was, en de hemellichamen op slechts geringe afstand stonden. Zijn conclusies over zichzelf waren net zo fantastisch verkeerd als de ideeën welke hij over de wereld in het algemeen had. Hij wist niets over de aard van de ziekten waaronder hij leed, of over de oorzaken van de dingen waarin hij zich verheugde. Hij was net zo onwetend over de aard van de geboorte als over de oorzaak van het sterven. Duizenden generaties gingen voorbij voordat hij zijn eerste aarzelende stappen zette op de weg naar verifieerbare kennis, en honderdduizenden generaties waren niet voldoende om de blunders van de primitieve mens uit het menselijk intellect te wissen. 

 Prominent onder deze primitieve misvattingen was het geloof dat de mens omringd zou zijn door een menigte mysterieuze geestelijke machten, waaraan later een menselijke vorm zou worden gegeven. Deze spookachtige wezens vormden de grondstof waaruit de goden van de diverse religies gemaakt zijn, en zij floreren het best daar waar kennis het geringst is, hierover kan geen twijfel bestaan. Het atheïsme, de afwezigheid van een geloof in goden, is een betrekkelijk laat fenomeen in de geschiedenis van de mens. Het geloof in goden was vroeger universeel. En zelfs onder beschaafde volken zijn het nog steeds de minst ontwikkelden die het meest zeker zijn van het bestaan van goden. De religieuze wetenschapper of filosoof zegt: “Ik geloof”; de onwetende gelovige zegt: “Ik weet.”

 Nu zou het toch vreemd zijn als de primitieve mens het al direct goed geraden zou hebben in de enige zaak waarover geen exacte kennis verworven kan worden, terwijl hij het mis bleek te hebben over alle andere zaken waarover kennis vergaard kon worden, of nog kan worden. Alle beschaafde volken wijzen de wereldtheorieën af die de primitieve mens vroeger formuleerde. Is het dan voorstelbaar dat die primitieve mens, daar waar het de goden betrof, direct en onomstotelijk gelijk zou hebben gehad? Te zeggen dat we die goden van de primitieve wereld nu niet meer accepteren heeft geen zin. Naar de vorm misschien niet meer; maar in essentie wel. We moeten het feit erkennen dat alle denkbeelden over goden terug getraceerd kunnen worden tot de vroegste stadia van de menselijke geschiedenis. We hebben de namen van de goden veranderd en hun kenmerken; we vereren ze zelfs op een manier die verschilt van de primitieve manier; maar er is een ononderbroken afstammingslijn die de goden van de primitieve volken verbindt met die van de moderne mens. We verwerpen de wereld van de wilden; maar in onze kerken, moskeeën, synagogen en tempels leven de theorieën die zij opstelden over die wereld, nog steeds voort.

 In dit pamflet maak ik me niet druk over alle zogenaamde bewijzen die opgevoerd worden om het bestaan van een God te bewijzen. Ik zeg “zogenaamde bewijzen” omdat die niet de basis vormen waarop het geloven in God berust; ze zijn slechts de excuses waarmee dat geloof in stand gehouden moet worden. Negentig procent van de gelovers in een God zouden deze “bewijzen” trouwens niet eens begrijpen. Rooms-katholieke propagandisten hebben de laatste tijd, bij wijze van reclame voor de kerk, de nadruk gelegd op de argumenten ten gunste van een God zoals Thomas van Aquino die heeft aangevoerd. Maar gewoonlijk gaat aan hun uitleg – die meestal dubieus is – een waarschuwing vooraf dat het onderwerp moeilijk te begrijpen is. In het geval van de rooms-katholieken denk ik dat we het aandeel van diegenen die de argumenten niet begrijpen, wel kunnen verhogen tot vijfennegentig procent. Hoe het ook zij, deze metafysische, mathematische en filosofische argumenten bieden geen redenen waarom iemand in God gelooft. Ze zijn, zoals ik al eerder zei, niets meer dan de excuses die geformuleerd zijn met het oogmerk om te doen blijven geloven. 

 Het geloof in God is hier omdat het deel uitmaakt van onze sociale erfenis. We worden geboren in een milieu waarin iedere nieuwkomer ontdekt dat het geloof in God er al geaccepteerd is, en gesteund wordt door machtige instituten, met een leger van afgerichte pleitbezorgers die hun leven wijden aan de verdediging van dat geloof en op de vernietiging van alles dat neigt tot verzwakking daarvan. En dit alles steunt weer op ontelbare generaties die leefden in tijden waarin het geloof in God teerde op de onwetendheid en vrees van de mens. Niettegenstaande de beweerde “bewijzen” voor het bestaan van God, groeit het geloof in hem of het niet, noch in aantallen, noch in zekerheden. Deze bewijzen voorkomen ook niet dat het aantal openlijk zelfverklaarde ongelovigen tot zulke sterkte is aangewassen dat, hoewel christenen al generaties lang geroepen hebben dat atheïsme – het ware atheïsme – niet bestaat, de verdedigers van het theïsme nu ontzet zijn over het groeiende aantal atheïsten, en dat er in de wereld van religie tot een kruistocht tegen het atheïsme wordt opgeroepen. Het stadium waarin ketterij weinig meer betekende dan het inruilen van de ene god voor de andere is voorbij. Het is nu een zaak geworden van acceptatie of verwerping van het idee van een God, en de aanwas ligt bij degenen die het verwerpen.

 Dit is echter niet de manier waarop bewijzen, echte bewijzen, in de praktijk werken. Een theorie moet soms lang strijden voor algemene of groeiende acceptatie, maar groeit zolang ze bewijs kan leveren dat haar steunt. Een hypothese wordt opgesteld, op de proef gesteld, bediscussieerd, en ten slotte verworpen of geaccepteerd. Voor wat de hypothese van God betreft, hoe langer die bediscussieert wordt, hoe minder die wordt geloofd. Het is geen wonder dat de ideale houding van de ware religieuze mens knielende is, met de ogen gesloten en de mond vol van niets anders dan smeekbeden en weerzinwekkend overdreven lofuitingen. Dit is ook de reden waarom iedere religieuze organisatie in de wereld er zo op gebrand is het kind te vangen. Het motto is: “Als we het kind verliezen, verliezen we alles” – wat een andere manier is om te zeggen dat als we niet een geloof in God implanteren voordat het kind oud genoeg is om iets te begrijpen van wat het wordt verteld, het geloof wel helemaal opgegeven kan worden. Hou het idee van God bij het kind vandaan, en het zal tot atheïst opgroeien. Als er een God bestaat, zal het bewijs voor zijn bestaan in deze wereld gevonden moeten worden. We kunnen niet met een andere wereld beginnen en dan terug werken naar deze. Dat is waarom het argument van ontwerp in de natuur een fundamenteel vereiste is voor een geloof in godheden. Het is impliciet aanwezig in ieder argument ten voordele van theïsme, hoewel het tegenwoordig, in zijn eenvoudigste en meest eerlijke vorm, niet meer zo populair is als vroeger. Maar voor gewone mannen en vrouwen is het nog steeds het beslissende stuk bewijs om het bestaan van een God aan te tonen. En als gewone mannen en vrouwen ophouden met het geloven in God, zal de klasse van religieuze filosofen die nu nog hun tijd besteden aan het bedenken van gedachtesubtiliteiten en bedrieglijke redenaties, waardoor het geloven in godheden weer intellectueel respectabel moet gaan lijken, ophouden te functioneren.

 En laten we vooral voor ogen houden dat we het alleen hebben over het bestaan van God. We hebben het er niet over of hij goed of slecht is; of de aan hem toegeschreven ontwerpen te prijzen zijn of juist niet. Men treft vaak mensen die zeggen dat ze niet in een God kunnen geloven, omdat de werken van de natuur niet goedaardig zijn. Dit heeft niets te maken met de kern van de zaak, en bewijst alleen maar dat theïsten niet het monopolie bezitten op tekortschietende logica. We bemoeien ons hier uitsluitend met de vraag of de natuur, als geheel, enig bewijs vormt voor ontwerp.

 Mijn stelling is, ten eerste, dat het argument al in zijn opzet misleidend is; ten tweede, dat het alles wat het wil bewijzen bij voorbaat al aanneemt, en de hele kwestie verduistert door de gebruikte formulering; en ten derde, het bezwaar tegen het argument van ontwerp in de natuur is niet alleen dat het bewijs onvoldoende is, maar ook dat het aangevoerde bewijs totaal niet relevant is. Als het zelfde soort bewijs voor een rechtbank zou worden ingebracht, is er geen rechter in het land die het niet zou afwijzen omdat het totaal irrelevant is. Ik zeg niet dat het argument van ontwerp, zoals het wordt gepresenteerd, niet overtuigend overkomt; ik zeg dat het onmogelijk is er enig bewijs voor te produceren dat een onpartijdige geest zou kunnen overtuigen. Het argument van ontwerp pretendeert analogisch te zijn. John Stuart Mill, die zelf niet in God geloofde, dacht dat het argument van ontwerp van zuiver wetenschappelijke aard was. De huidige deken van St. Paul’s, Dr. Matthews, zegt dat “het argument van ontwerp op ideeën berust die iedereen heeft en denkt te begrijpen; en bovendien, moet het zelfs voor de simpelste geest duidelijk zijn dat als God bestaat, hij ergens mee bezig moet zijn, doelstellingen moet hebben, en dus doelbewust bezig moet zijn.” (The Purpose of God, pag. 13) En Immanuël Kant zei dat het argument van ontwerp het oudste was, het duidelijkste en het meest geschikte voor de gewone menselijke rede. Maar aangezien Kant vervolgens het argument volledig onderuit haalde, is het duidelijk dat hij geen bijzonder hoge dunk had van de kwaliteit van die gewone menselijke rede.

 Maar wat pretendeert een analogische redenatie te zijn, blijkt helemaal geen analogie te zijn. Een populaire Methodistische predikant, Dr. Leslie Weatherhead, wiens boek Why do Men Suffer? (Waarom lijden mensen?) als voorbeeld kan dienen van een mooi studieboek over religieuze dwaasheid, herhaalt het oude argument dat als we een aantal letters zouden vinden die zo gerangschikt zijn dat ze woorden vormen, we moeten concluderen dat er ontwerp in die rangschikking moet zijn. Toegegeven, maar dat is nogal voor de hand liggend, want we weten dat letters en woorden en de rangschikking van woorden het resultaat zijn van menselijk ontwerpen. Het argument hier is er een van ervaring. We concluderen dat een bepaald verband van tekens ontworpen is omdat we vooraf weten dat zulke dingen ontworpen zijn. Maar in het geval van de natuur hebben niet zulke ervaringen om ons op te baseren. We weten niet dat natuurlijke objecten gemaakt zijn, we kennen niemand die natuurlijke objecten maakt. Bovendien is juist het onderscheid tussen natuurlijke en kunstmatige objecten al een erkenning op zich dat natuurlijke objecten, prima facie, helemaal niet het product van ontwerp zijn. Om een analogie te vormen moeten we dezelfde kennis hebben dat natuurlijke objecten vervaardigd zijn als we hebben dat menselijke producten vervaardigd zijn. Ontwerp wordt niet gevonden in de natuur; het wordt aangenomen. Zoals Kant zegt, bewondert de rede een wonder dat het zelf geschapen heeft. De theïst kan geen stap zetten in zijn poging om ontwerp in de natuur te bewijzen zonder zichzelf schuldig te maken aan klinkklare logische blunders. Dit wordt al aangetoond door het woordgebruik zelf. Zo citeert Dr. Matthews een rooms-katholieke priester die zegt: “De aanpassing van middelen aan het doel is een duidelijk teken van een intelligente oorzaak. Nu toont de natuur aan alle kanten gevallen van de aanpassing van middelen om het doel te bereiken, en hieruit volgt dat de natuur het werk is van een intelligente oorzaak.” Dr. Matthews houdt niet van deze manier om de zaak te presenteren, maar zijn eigen redenatie toont aan dat hij meer moeite heeft met de manier waarop het argument eenvoudig en precies gepresenteerd wordt dan met het argument zelf. Tegenwoordig is het riskant om religieuze redenaties zo duidelijk vorm te geven dat iedereen ze begrijpt.

 Laten we dit eens nader bekijken. De natuur, zo zegt men, toont talloze aanpassingen van middelen om een doel te bereiken. Maar de natuur toont die helemaal niet – tenminste, dat is nu juist wat bewezen moet worden, en niet klakkeloos aangenomen. Als de natuur vervuld zou zijn van aanpassingen van middelen om een doel te bereiken, dan rest ons niets om over te redetwisten. Want die aanpassingen zouden een bewuste afstelling van dingen of voorwaarden betekenen om tot een gewenst resultaat te komen. Iets aanpassen houdt in dat we het geschikt maken om dit of dat te doen, om dit of dat doel te dienen. Zo passen we ons gedrag aan aan de gelegenheid, onze taal aan de persoon waarmee we spreken, houten planken aan het doel dat we voor ogen hebben, enzovoort. Dus als de natuur aanpassing van middelen zou vertonen om een bepaald doel te bereiken, dan wordt het bestaan van een wezen dat die aanpassingen maakt, ook werkelijk aangetoond.

 Maar de natuur toont helemaal niets dat daar op lijkt. Wat we in de natuur waarnemen zijn processen en resultaten. Alleen dat, en meer niet. De structuur van een dier en de relatie tot zijn omgeving, het resultaat van een chemische combinatie, het vallen van regen, het omhoogkomen van een berg, al deze verschijnselen en alle andere natuurlijke fenomenen, tonen niet de aanpassing van middelen aan hun doel, maar tonen alleen een proces en zijn resultaat. De natuur geeft blijk van het universele fenomeen van causaliteit, van oorzaak en gevolg, en daar blijft het bij. Processen en resultaten leken vroeger op aanpassing van middelen aan hun doel, zolang alle bewegingen in de natuur nog aangezien werden voor manifestaties van de wil van de goden. Maar wanneer natuurlijke fenomenen beschouwd worden als onvermijdelijke producten van de eigenschappen van het bestaan, zijn zulke termen als “middelen” en “doelen” op zijn zachts gezegd misleidend, en in de dagelijkse praktijk vaak opzettelijk oneerlijk. Deze situatie werd goed uitgedrukt door W.H. Mallock:

 “Als we tegenwoordig de absoluut regelmatige bewegingen van de sterrenhemel zien, zouden we, in plaats van dat als wonderbaarlijk te beschouwen, het wonderbaarlijk moeten vinden als dat niet zo zou zijn. We beseffen dat de sterren geen lichamen zijn die, tenzij ze uniform in beweging worden gebracht, bewegingloos in de ruimte zouden drijven, of in willekeurige richtingen heen en weer zouden bewegen. We realiseren ons dat zij lichamen zijn die als ze niet op uniforme wijze in beweging waren, helemaal geen lichamen zouden zijn, en noch in beweging, noch in rust zouden bestaan. We beseffen dat orde, in plaats van het wonder van het universum te zijn, de onontbeerlijke conditie van zijn bestaan is – dat het een fysieke gemeenplaats is, niet een goddelijke paradox.”

 Maar er zijn nog steeds velen die zich verbazen over de wijsheid van God, dat hij het universum zo gepland heeft dat grote rivieren langs grote steden stromen, en dat de dood komt aan het einde van het leven, in plaats van er midden in. Ontdoe de pleidooien van mensen als de eerwaarde Dr. Matthews van hun semifilosofisch jargon, reduceer zijn voorbeelden tot de primitieve vergelijkingen die ze zijn, en hij verbaast zich over de wijsheid van God die de dingen zo gepland heeft dat de twee uiteinden van een stuk hout zich aan de einden bevinden, in plaats van in het midden.

 Het bedrog, tenslotte, is zonneklaar. De theïst neemt begrippen die alleen op bewust leven van toepassing zijn, en past die toe op het gehele universum. Hij praat over middelen, dat wil zeggen de doelbewuste planning om bepaalde doelen te bereiken, en zegt dan dat aangezien er middelen zijn, er ook doelen moeten zijn. Nadat hij zo ongemerkt het konijn in de hoed gestopt heeft, kan hij het voor een bewonderend publiek te voorschijn te brengen. De zogenaamde aanpassing van middelen aan hun doel – in werkelijkheid de relatie van een proces tot zijn resultaat – is niet iets dat kan worden uitgekozen uit een totaal van fenomenen als voorbeeld van goddelijke wijsheid; het is de expressie van een universele waarheid. Het product impliceert het proces, omdat het gewoon het eindresultaat is van de invloeden die daarmee gemoeid waren. Het is een fysieke, een chemische, een biologische gemeenplaats. 

 Tot hier toe heb ik de redenaties van de theïst gevolgd in zijn pogingen om te bewijzen dat er een “geest” staat achter de natuurlijke fenomenen, en dat het universum zoals we dat hebben, in het algemeen tenminste, bewijs is voor een plan van die “geest”.

 Ik heb er ook op gewezen dat het enige gegeven voor die gevolgtrekking het universum is zoals wij dat kennen. Dit moeten we als vertrekpunt nemen. We kunnen er niet aan vooraf gaan, noch voorbij gaan. We kunnen niet beginnen met God en het universum afleiden uit zijn bestaan; we moeten beginnen met de wereld zoals wij die kennen, en God afleiden van die wereld. En dit kunnen we alleen maar doen door het universum voor te stellen als een product dat zijn bestaan dankt aan het ontwerp van God, net zo als een tafel of een radio ontstaan zijn als gevolg van de planning van de menselijke “geest”. Maar de voorwaarden om dit te doen bestaan niet, en het is opmerkelijk dat in veel gevallen critici van het ontwerp argument het bekritiseerd hebben omdat het niet doorslaggevend is. Maar de juiste kritiek, de kritiek die absoluut dodelijk is voor het argument van ontwerp, is dat er geen logische mogelijkheid bestaat om bedoeling af te leiden uit de waarneming van natuurlijke fenomenen. En er is geen andere richting waarin we naar bewijs kunnen zoeken. De theïst is er nog nooit in geslaagd bewijsmateriaal voor ontwerp te produceren dat na onderzoek als niet irrelevant voor de zaak in kwestie zijnde, terecht afgewezen moest worden. 

 Op welke wijze kunnen we te werk gaan om te bewijzen dat iets het resultaat van ontwerp is? We kunnen dit niet doen door aan te tonen dat een proces eindigt in een resultaat, omdat ieder proces eindigt in een resultaat, en in alle gevallen het resultaat de uitkomst is van het proces. Als ik een baksteen gooi, doet het er niet aan toe of de steen een man op het hoofd raakt en hem doodt, of een ruit breekt, of gewoon op de grond valt zonder enige schade te veroorzaken. In al die gevallen blijft de afstand die de steen aflegt, en de kracht waarmee deze het hoofd, de ruit of de grond raakt, precies gelijk, en zelfs de meest exacte kennis van deze factoren zou iemand niet in staat kunnen stellen om te zeggen of het resultaat dat op het gooien van de steen volgde bedoeld was of niet. Aan Shakespeare wordt het schrijven van het toneelstuk “King Lear” toegeschreven. Maar of nu Shakespeare zichzelf er bewust toe aanzette om “King Lear” te schrijven, of dat het de astrale geest van Bacon of iemand anders was die bezit nam van het lichaam van Shakespeare tijdens het schrijven van Lear, maakt geen verschil, wat het resultaat ook moge zijn. En ook, iemand die een ziek persoon verzorgt, maakt gebruik van verscheidene flessen, waarvan sommige medicijnen bevatten, en anderen een dodelijk gif. In plaats van de patiënt een medicijn te geven, wordt het vergif toegediend en de patiënt sterft. Er wordt een onderzoek ingesteld, en of nu het gif opzettelijk werd gegeven, of per ongeluk, is er nog steeds dezelfde volgorde van oorzaak en gevolg, van proces en resultaat. En zo kan men een oneindig aantal voorbeelden aanhalen. Het is voor niemand die deze opeenvolgingen waarneemt mogelijk om te zeggen of enige van deze onmiskenbare resultaten zo bedoeld waren of niet. Men kan in geen van deze gevallen op logische wijze een ontwerp afleiden. De grond voor zo’n beslissing is niet voorhanden.

 Toch zouden we in al voornoemde gevallen ontwerp kunnen bewijzen door bewijs voor opzet te leveren. Als ik met het gooien van de baksteen de opzet had de man te doden, zou ik schuldig zijn aan moord. Als ik de bedoeling had om te vergiftigen, ben ik ook schuldig aan moord. Als er in de geest van Shakespeare het plan had bestaan om “King Lear” te schrijven voordat hij het schreef, en het stuk die bedoeling waarmaakte, dan was het stuk ontworpen. In al deze gevallen is het essentiële gegeven, kennis te hebben van die intentie; zonder die kennis is het onmogelijk op logische gronden ontwerp af te leiden. We moeten weten wat de intentie was, en dan moeten we het resultaat vergelijken met die intentie, en de mate van overeenkomst bepalen tussen die twee gegevens. Het volstaat niet te zeggen dat een man een steen gooide, en dat als die niet gegooid zou zijn, de ander niet gedood zou zijn. Het is niet genoeg te zeggen dat als het vergif niet gegeven was, de patiënt niet gestorven zou zijn. En het volstaat zeker niet te beweren dat het verloop van gebeurtenissen getraceerd kan worden vanaf het moment dat de steen de hand verliet van de eerste man tot aan het raken van de tweede. Dat, zoals ik al eerder zei, blijft in alle gevallen waar. De wet staat er op dat in zulke gevallen de intentie bewezen moet worden; en in deze gevallen steunt de wet op wetenschappelijke en filosofische wijsheid. Nu zoeken we in alle genoemde gevallen, en dit zijn natuurlijk maar enkele voorbeelden uit ontelbare soortgelijke gevallen, naar ontwerp omdat we weten dat mensen toneelstukken schrijven, dat mensen andere mensen vergiftigen en dingen naar elkaar gooien met de bedoeling lichamelijk letsel toe te brengen. We maken gebruik van wat bekend is als middel om dat wat nog niet bekend is, op te lossen. Maar onze bekendheid met bouwers van werelden, of universum ontwerpers, staat niet op gelijke voet met onze kennis in de voornoemde gevallen. We weten absoluut niets over hen, en kunnen daarom niet redeneren vanaf wat bekend is tot aan het onbekende, in de hoop daarmee het onbekende in dezelfde categorie onder te brengen als het bekende.

 En dan nog, zelfs als we aannemen dat er een God is, hebben we nog steeds geen middelen om er achter te komen wat zijn bedoelingen waren toen hij de wereld maakte, ook dat laatste nog aannemende. En aangezien we niet weten wat zijn bedoeling was, kunnen we die ook niet vergelijken met het resultaat. Op basis van de bekende feiten, en aannemend dat God bestaat, beschikken we niet over de middelen om uit te maken of de wereld die we hebben het resultaat is van zijn ontwerp, of niet. Hij zou iets geschapen kunnen hebben terwijl hem iets heel anders voor ogen had gestaan. Kortom, men kan niet beginnen met iets fysieks, met een natuurlijk feit, en daaruit intentie concluderen. Toch, als we doelstelling willen bewijzen zullen we moeten beginnen met een intentie, en als we die kennen moeten we daarna vaststellen in hoeverre het resultaat overeenstemt met het ontwerp. Alleen de samenwerking tussen een fysiek en een psychisch feit kan intentie, of ontwerp, aantonen. De enkele overeenkomst van het “doel” met de “middelen” bewijst helemaal niets. Het eind is de middelen tot uitdrukking gebracht. Het fundamentele bezwaar tegen het argument van ontwerp is dat het totaal irrelevant is.

 Het geloof in God is daarom niet gebaseerd op de waarneming van ontwerp in de natuur. Geloof in ontwerp in de natuur is gebaseerd op het geloof in God. De dingen zijn zoals ze zijn of er nu een God is of niet. Om te geloven in ontwerp moet men logischerwijze beginnen met God. Hij, of het, is dan niet een gevolgtrekking maar een gegeven. Men kan beginnen met een schepper aan te nemen, en dan zeggen dat hij dit of dat deed; maar het is niet logisch om te zeggen dat omdat dingen bestaan er daarom een God moet zijn die ze gemaakt heeft. God is een aanname, niet een conclusie. En het is een aanname die niets verklaart. Als ik mag citeren uit mijn boek Theism, or Atheism: -

 “Om een logisch geloof in ontwerp in de natuur te rechtvaardigen, zijn drie zaken essentieel. Ten eerste, men moet aannemen dat God bestaat. Ten tweede moet men op voorhand aannemen dat men kennis heeft van de intentie in de geest van de godheid, voordat het beweerde ontwerp tot bestaan werd gebracht. Ten slotte moet men in staat zijn het resultaat te vergelijken met de intentie, en de overeenkomst aan te tonen. Maar de onmogelijkheid van de eerste twee zaken is overduidelijk. En zonder die eerste twee is de derde van nul en generlei waarde. Want we beschikken niet over de middelen om de eerste twee te bereiken behalve door de derde. En voordat we aan de eerste twee toekomen, kunnen we geen gebruik maken van de derde. We verkeren dus in een hopeloze impasse. Geen enkel onderzoek in de natuur kan ons terug naar God leiden omdat we het benodigde uitgangspunt missen. Al de boeken die geschreven zijn, en al de preken die geleverd werden om de wijsheid in organische structuren te beschrijven zijn even zo vele nutteloze inspanningen. Ze bewijzen niets, en kunnen niets bewijzen. Ze nemen om te beginnen alles al aan dat ze op het eind nodig hebben. Hun God is niet iets dat door gevolgtrekking aangetoond kan worden, het is iets dat direct al bij het begin werd aangenomen.”

 Ten slotte, als er een ontwerper achter, of in de natuur staat, dan zouden we harmonie moeten kunnen verwachten. De producten van zulk ontwerp zouden als het ware precies bij elkaar moeten passen. Dit is wat ontwerp betekent. Een pistool dat zodanig ontworpen zou zijn dat het degene doodt die het afvuurt en ook degene waarop het gericht was, zou slechts bewijs kunnen zijn voor de acties van een waanzinnige of een crimineel. Als we zeggen dat we bewijs voor ontwerp vinden, impliceren we op zijn minst de aanwezigheid van een element van harmonie. Maar wat vinden we? De dierlijke wereld als geheel nemend, valt het de waarnemer – zelfs de religieuze waarnemer – op, hoeveel antagonisme er in de natuur voorkomt. Die is zo nadrukkelijk aanwezig dat de religieuze opinie een duivel uitvond, om die daar de schuld van te kunnen geven. En één van de argumenten die religieuze mensen gebruiken om het geloof in een toekomstig leven te rechtvaardigen is dat God nog een wereld geschapen heeft, waarin de onrechtvaardigheden en blunders van dit leven weer goedgemaakt kunnen worden.

 Voor zijn stelling heeft de theïst samenwerkende acties in de natuur nodig. Deze bestaat wel onder sociale dieren, maar alleen voor zoverre het individuen binnen de eigen groep betreft, en dan nog maar in zeer beperkte mate. Maar waar het dierlijk leven betreft, ken ik geen enkel geval waarvan naar waarheid kan worden gezegd dat verschillende diersoorten zo ontworpen zijn dat ze elkaar helpen. Het is mogelijk dat hierop bepaalde uitzonderingen gevonden kunnen worden in de relaties tussen insecten en planten, maar in de dierlijke wereld komt het zeker niet voor. De carnivoren leven niet alleen van de herbivoren, maar leven waar en wanneer ze maar kunnen, ook van elkaar. En God, als we even theïstisch spraakgebruik mogen lenen, heeft dat voorbereid door aan de ene kant het ene dier zo uit te rusten dat het vaak zijn prooi kan pakken, en aan de andere kant zo dat die vaak kan ontsnappen. En als we spreken van een schepping die een dier in betere harmonie met zijn leefomgeving heeft gemaakt, mogen we niet over het hoofd zien, dat de “volmaakte aanpassing” die de theïst zo bewondert, de perfecte conditionering is om andere dieren te vernietigen. Als ze elk in gelijke mate goed aangepast waren, zou één van de strijdende soorten uitsterven. Als we daarom naar ontwerp in de natuur moeten zoeken, zien we op zijn best de manifestaties van een geest die zich uitleeft in het aan de ene kant vernietigen van wat ze aan de andere kant geschapen heeft.

 Ook bestaan er talloze parasieten - een net zo duidelijk bewijs van ontwerp als al het andere - die leven van het infecteren en vernietigen van hogere levensvormen dan die van hen zelf. Van alle dieren die geboren worden kan slechts een klein deel hopen ooit volwassenheid te bereiken. En als we rekening houden met het aantal spermatozoa dat “geschapen” wordt, dan is het aantal dat leeft belachelijk klein. Dat aantal zou één op miljoenen zijn.

Bestaat er enig verschil wanneer we bij de mens komen? De theïst, met grootse eigenwaan, beweert dat het proces van evolutie volkomen terecht is omdat het hem geproduceerd heeft. Maar zowel bij constitutie als gevoel ligt hetzelfde dodelijke feit voor ons. Voor wat de menselijke constitutie betreft, schijnt het dat voor iedere stap die ons verder van het dierenrijk heeft verwijderd, God een hinderlaag gelegd heeft en een straf toedeelt. Als de mens rechtop wil lopen moet hij bereid zijn een groter risico op een hernia te accepteren. Als hij in steden wil leven, moet hij daar de prijs voor betalen met een groter risico op tuberculose. Hoewel hij zijn dierlijke soortgenoten achter zich wil laten, draagt hij nog steeds overblijfselen van hen bij zich, in de vorm van een nutteloze bedekking met haar dat helpt om verscheidene kwalen op te lopen, een rudimentaire tweede maag die gelegenheid biedt tot blindedarmontsteking, rudimentaire verstandskiezen die kans geven op mentale kwalen. Men heeft berekend dat de mens meer dan honderd rudimentaire structuren in zich draagt, die ieder energie absorberen en daar niets voor terug geven. 

En zo kunnen we nog wel even doorgaan. De natuur, gezien vanuit het voor de theïst gunstigste perspectief biedt ons geen beeld van een homogeen ontwerp. Nog afgezien van de onmogelijkheid om een logische redenering op te bouwen die ontwerp in de natuur aantoont, blijven we zitten met geen ander beeld van die ontwerper dan een, zoals W.H. Mallock, een fervent rooms-katholiek zegt: “een verstrooid, onmachtig, semi-impotent monster.…. in de hemel rondhangend, misschien niet moedwillig kwaad teweegbrengend, maar onverschillig voor het feit dat hij dit veroorzaakt.”

_____


Bron: http://www.positiveatheism.org/tochcohn.htm

BAADE022-0571-424E-A133-C5A92933C418
_________________________________________________________________________________________________

Zie ook:

Meer van deze auteur:

   ➤ 'Moraal zonder God'


Alle vertalingen van artikelen © 2005-2010 Peter van Montfoort